Onderzoek naar natuurbeheer schiet tekort

Het recente onderzoek waaruit bleek dat natuurbeheer door boeren de natuur niet verbetert, is te beperkt om er definitieve conclusies aan te verbinden, menen T.C.P. Melman, P. Terwan, J.A. Guldemond, H.A. Udo de Haes, M. van Heuven, C.H. Krantz, en H.J. de Graaf.

Natuurbeheer door boeren levert geen natuurwinst op, concluderen de onderzoekers David Kleijn en Frank Berendse van de Wageningen Universiteit. Vorige week kwam hun onderzoek prominent in de publiciteit (NRC Handelsblad, 15 en 16 oktober). Weggegooid geld dus, werd daar in de reacties aan toegevoegd – besteed het maar liever aan `echte' reservaten-natuur. Het onderzoek rechtvaardigt deze ferme gevolgtrekkingen echter niet.

De effecten van agrarisch natuurbeheer zijn al jaren onderwerp van discussie. Onderzoeken laten in het algemeen een gemêleerd beeld zien: sommige maatregelen zijn zeer effectief, andere minder of niet.

Uiteraard moeten de effecten van agrarisch natuurbeheer goed worden beschreven en moeten bewezen ondoelmatige beheersvormen worden verbeterd of geschrapt. Ook wij zijn voor een sterkere relatie tussen beloning en resultaat. De overheid heeft met een nieuw subsidiestelsel ook al een eerste stap gezet om zich in te dekken tegen ondoelmatige uitgaven.

In dit licht is het onderzoek van de vakgroep Natuurbeheer van Wageningen Universiteit zeker van belang. Nadere bestudering van het onderzoek en van de uitspraken van de onderzoekers laten echter zien dat onderzoek en conclusies niet in balans zijn.

In onze ogen kampt het Wageningse onderzoek met vier beperkingen:

De onderzoekers hebben percelen met en zonder `natuurcontract' eenmalig vergeleken. Die methode heeft echter zeer beperkte waarde. Verschillen in uitgangssituatie kunnen het beheerseffect namelijk geruime tijd maskeren. Daarom zou het beter zijn geweest de ontwikkeling van de natuurwaarden op beide percelen te onderzoeken.

Hoewel er weidevogelcontracten met maaidata variërend van 1 tot 30 juni zijn onderzocht, laten de onderzoekers in hun analyse deze differentiatie achterwege. Verbetering van het weidevogelbeheer vergt echter een analyse van de afzonderlijke beheersvormen.

De percelen met een natuurcontract zijn vergeleken met `gangbaar' beheerde percelen. Maar wat is gangbaar? Onze eigen onderzoekspraktijk leert dat tegenwoordig in de `betere' weidevogelgebieden vrijwel overal bescherming plaatsvindt. Zo vindt buiten de percelen met beheerscontracten in vrijwel alle weidevogelgebieden van betekenis (ten minste 330.000 hectare) nestbescherming plaats. Op veel vergelijkingspercelen kunnen dus nesten zijn beschermd. In dat geval zijn de onderzoekers vooral bezig geweest om beschermingsvormen onderling te vergelijken. Dat zou ook de geringe gevonden verschillen verklaren en een aardige eye-opener bieden: nestbescherming is even effectief als uitgesteld maaien.

Voor het beoordelen van de effecten van botanisch beheer is een langere periode nodig dan de 5 à 6 beheersjaren van de nu onderzochte percelen. Een waardevolle vegetatie is snel verloren, maar traag hersteld.

Er is al veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van weidevogelbeheer. Zo is vastgesteld dat nestbescherming zeer effectief is: er komen tweemaal zoveel nesten uit en veel vogelsoorten doen het beter in gebieden met nestbescherming.

In het Groene Hart, waar inmiddels op 22.000 hectare diverse beschermingsvormen worden toegepast, steeg de weidevogeldichtheid tussen 1998 en 2000 van 48 naar 55 broedparen per 100 hectare. In het zeer weidevogelrijke Waterland werden vorig jaar op percelen met uitgestelde maaidatum 175 broedparen per 100 hectare gevonden tegen 150 op percelen met andere vormen van weidevogelbeheer. Ook in ander onderzoek is het positieve effect van later maaien wel degelijk aangetoond. De auteurs hadden op zijn minst een poging moeten doen om te verklaren waarom hun resultaten zo afwijken.

Het is belangrijk om te kunnen verklaren waarom geen beheerseffecten zijn gevonden. De onderzoekers zijn verbaasd dat uitstel van het maaien niet werkt. Dat gebeurt immers – ondersteund door onderzoek – ook in reservaten. Als verklaring noemen zij voedselgebrek: minder regenwormen in de bodem.

Dit is inderdaad een kritische factor. Maar in reservaten wordt doorgaans nog minder bemest dan in beheersgebieden en zouden de resultaten dus nog geringer moeten zijn. En inderdaad: er zijn enkele sprekende voorbeelden van reservaten waar de weidevogels achteruitgaan door verminderde bodemvruchtbaarheid. Op `agrarisch' weidevogelland zijn de bemestingsniveaus echter nog lang niet zo laag dat er een drastisch effect op regenwormen zou kunnen optreden. Daarnaast vormen ook insecten voedsel voor jonge weidevogels, en daarvan zijn er in de beheerspercelen juist méér gevonden. De verklaring van de onderzoekers lijkt dus weinig valide.

De onderzoekers stellen in de media dat boeren economisch denkende ondernemers zijn en daarmee per definitie geen goede natuurbeheerders. Bovendien zouden ze weinig van natuur weten. Daarmee gaan de onderzoekers echter voorbij aan belangrijke ontwikkelingen: steeds meer boeren organiseren zich in agrarische natuurverenigingen, die het natuurbeheer professioneel ter hand nemen en voortvarend scholing organiseren. Van zulke collectieven zijn er inmiddels 100 actief. De onderzoekers willen de resultaten van deze professionalisering niet afwachten en een deel van het geld voor agrarisch natuurbeheer toevoegen aan het budget voor de `echte' reservaten-natuur.

Voordat besloten kan worden tot een bijstelling van het beleid, zal echter eerst overtuigend moeten worden aangetoond dat de ene beheersvorm inderdaad slechter scoort dan de andere. Daarin slagen de onderzoekers niet – zij onderzochten reservaten niet eens. Het is daarom van groot belang dat de plaats van boeren in het natuurbeheer niet onder druk wordt gezet door voorbarige conclusies van een te beperkt onderzoek.

T.C.P. Melman en P. Terwan zijn verbonden aan de stichting In Natura, J.A. Guldemond is verbonden aan het Centrum voor Landbouw en Milieu, H.A. Udo de Haes werkt bij het Centrum voor Milieukunde van de Universiteit Leiden), M. van Heuven en C.H. Krantz zijn verbonden aan Landschapsbeheer

Nederland en H.J. de Graaf is werkzaam bij de afdeling Milieubiologie van de Universiteit Leiden.