`Kunstuitleen kan niet zonder subsidie'

Alles moet anders bij de kunstuitlenen, volgens staatssecretaris Van der Ploeg. Ze moeten zelfstandig worden en verzakelijken. Maar kunnen de kunstuitlenen dat, en willen ze het wel?

Het begon zo simpel. In 1952 kwam schilder en schrijver Pieter Kooistra op het idee om werk van bevriende kunstenaars tegen een kleine vergoeding in bruikleen te geven aan particulieren. Hij steunde zijn vrienden, en hun kunst werd bekend bij een breed publiek. De werken werden vervoerd per bakfiets. Kooistra's initiatief leidde in 1955 tot de oprichting van de Amsterdamse Stichting Beeldende Kunst (SBK).

Inmiddels telt Nederland zo'n honderd kunstuitlenen, en hangt er in een op de honderd huishoudens een geleend kunstwerk aan de muur. Ruim de helft van de kunstuitlenen zijn non-profit instellingen, verenigd in de Federatie Kunstuitleen (FKU), met een totaal van 73.217 leden. Deze uitlenen worden flink gesubsidiëerd: vorig jaar ontvingen ze een totaalbedrag van 22,9 miljoen gulden aan overheidsgeld. Maar er klinkt ook al lang kritiek: de gemiddelde klant van de uitlenen is te rijk, te hoog opgeleid en van zichzelf al in kunst geïnteresseerd.

De sector zelf voelt ook de noodzaak tot `ingrijpende veranderingen', en liet zich onderzoeken door managementadviesbureau Berenschot. De conclusies van Berenschot waren `niet kinderachtig', aldus staatssecretaris F. van der Ploeg van Cultuur op een congres over de toekomst van de kunstuitleen op 11 oktober j.l. in Den Haag. Men leunt te zwaar op subsidies, en wendt die aan voor commerciële activiteiten als de verkoop van kunst en de uitleen aan bedrijven. Het educatieve doel wordt uit het oog verloren. Driekwart van de collecties is uitgeleend en dus onzichtbaar, er wordt nauwelijks aan PR gedaan en het publieksbereik stagneert. Met de subsidiëring in de huidige vorm is het binnenkort dan ook afgelopen, aldus Van der Ploeg.

Hoewel het de branche niet aan zelfkritiek ontbreekt, zijn alle betrokkenen fel tegen het dichtdraaien van de subsidiekraan. Hoe het overheidsgeld precies moet worden gebruikt, daarover verschillen de meningen. Frederique Sligter van het CBK in Groningen noemt de woorden van de staatssecretaris `prikkelend', maar ook `te eenduidig': ,,Veel kunstuitlenen functioneren ook als collectiebeheerders van gemeenten, die vaak met duizenden werken uit de Beeldende Kunst Regeling omhoog zitten. De kunstuitlenen hebben die in depot. Dat levert niets op, maar het mag ook niet weg. Daar moet een oplossing voor komen.''

De kunstuitleen van Leeuwarden ging vorig jaar door een `dip' door een brand, zegt administrateur R. Rinsma, maar nu trekt het ledental weer aan. ,,Wat geeft het als onze leden goed verdienen of hoog opgeleid zijn? Heeft de staatssecretaris weleens gekeken naar wie er zoal in theaters of bibliotheken komen? Daar gaat toch ook subsidie naartoe? Wij overleven het wel als we worden gekort, maar de kunstenaars worden de dupe, omdat we dan minder aan collectieverwerving kunnen doen.''

Michiel Morel van de Artotheek in Den Haag verzet zich tegen elke vergelijking tussen een kunstuitleen die ook werk verkoopt en een galerie: ,,Onze kunst is hoogdrempeliger, omdat we mensen iets willen leren en ze niet alleen maar willen behagen. Er wordt hier pas na ampel beraad gekocht: klanten lenen een werk, leren het kennen, ruilen het misschien nog eens om en kopen dan pas. Dat is iets totaal anders.''

In een schriftelijke reactie zegt de FKU dat de kunstuitlenen in veel plaatsen deel uitmaken van grotere instellingen als een Centrum voor Beeldende Kunst (CBK), waar wel aan voorlichting en educatie gedaan wordt. De collecties van de uitlenen worden daarbij ingezet.

Maar om te kunnen dienen als `humuslaag voor smaakontwikkeling' moeten die collecties wel `kwalitatief hoogwaardig' blijven, en daarvoor is subsidie nodig. De FKU zegt de huurtarieven te zullen verhogen en een `meer kostendekkend beleid' te gaan voeren, maar vraagt de overheid voorlopig om geduld.

,,Wij voelden deze bui jaren geleden al hangen'', zegt Remmelt Loos, adjunct-directeur van de Amsterdamse Stichting Beeldende Kunst (SBK). De SBK begon zich in 1996 los te maken uit het subsidiecircuit, is sinds vorig jaar zelfstandig en bloeit als nooit tevoren. ,,Ons bestand is de afgelopen vijf jaar verviervoudigd tot 18.000 abonnementen. We werken nu servicegericht, met zes vestigingen, een eigen tentoonstellingsruimte in West, een website. We verkopen en we verhuren kunst. Een deel van het abonnementsgeld is collectietegoed, daar kopen we nieuwe werken van. Met een goed zakelijk plan als het onze moet elke kunstuitleen in Nederland zichzelf kunnen bedruipen.''