Doofpot

De rol van de burgemeester in het gemeentebestuur heeft in de loop der jaren een aanzienlijke wijziging ondergaan. Het accent is verschoven van zijn of haar relatie tot het centrale gezag naar een typisch gemeentelijke functie. ,,Onmiskenbaar oefent de burgemeester invloed uit op het plaatselijke politieke krachtenveld.'' Zo constateert de toelichting bij de nieuwe Gemeentewet van 1992. De regering sprak zelfs van ,,politisering'', al vermaande zij de eerste burger van de gemeente zich steeds bewust te zijn van het boven de partijen staande karakter van zijn of haar functie.

Deze staatkundige karakteristiek maakt direct duidelijk hoe onaanvaardbaar de afloop van de burgemeesterscrisis in Leeuwarden is. Het is geheel conform de moderne praktijk dat dit politieke en bestuurlijke conflict is uitgedraaid op een afvloeiingsregeling. Dat daaraan een stevige gouden handdruk is verbonden, valt te verklaren uit de moderne ontslagpraktijk, al heeft de Tweede Kamer in 1995 minister Sorgdrager (Justitie) over een vergelijkbaar arrangement voor de procureur-generaal Van Randwijck het vuur nog stevig aan de schenen gelegd.

Onderdeel van de Leeuwarder regeling is echter ook een zwijgplicht voor burgemeester en gemeente met een halve ton dwangsom per overtreding. Hier gaat iedere vergelijking met de gouden handdruk in het bedrijfsleven mank. Juist wegens de politieke dimensie van de functie. Een debat als dat over Van Randwijck wordt in Leeuwarden onmogelijk gemaakt. Het is wel duidelijk waaraan dat ligt. De scheidende burgemeester heeft over een eerdere functie als wethouder al eens een boekje open gedaan. Dat is op de keper beschouwd slechts een reden te meer om de verhalen uit de wereld te helpen met een behoorlijk, afsluitend en openbaar debat in de gemeenteraad.

Door te bewilligen in de doofpot maakt met name de gemeenteraad zich schuldig aan plichtsverzuim. Het is ook zeer de vraag of een regeling rechtsgeldig is die de democratische verantwoording zozeer doorkruist. Een tweede is hoe deze ongeldigheid geëffectueerd kan worden als de gemeenteraad halsstarrig vasthoudt aan zijn recht om niet te weten. Deze houding is alleen al misplaatst vanuit het oogpunt van de modernisering van de lokale politiek die al zo lang op de politieke agenda staat. Iedere modernisering begint bij het gemeentebestuur en de politieke partijen zelf, waarschuwde de Commissie-Van Thijn in 1993 met reden. Voordat de Leeuwarder raadsleden voor de verkiezingen van volgend jaar weer hun kiezers opzoeken onder het rituele motto ,,dicht bij de burger'', kunnen zij deze burger beter eerst serieus nemen en alsnog het debat houden dat de burgemeesterskwestie verdient.