Agrarisch Natuurbeheer 1

Op basis van de in Nature gepubliceerde gegevens van dr.ir. David Kleijn en prof. dr. Frank Berendse over natuurvriendelijke bedrijfsvoering van boeren (NRC Handelsblad, 15 en 16 oktober) kan niets worden geconcludeerd over de effectiviteit van het agrarisch natuurbeleid.

Om de diversiteit van de flora te vergroten, is het noodzakelijk dat de effecten van de vermesting en de verdroging worden teruggedrongen. Kleijn en Berendse presenteren geen gegevens over nitraat- en fosfaatconcentratie in gebieden die wel of niet onder agrarisch natuurbeheer vallen. Dat betekent nog niet dat er geen verschillen zijn.

De verdroging wordt niet aangepakt in agrarisch natuurbeheer en zou dus ook een reden kunnen zijn voor het gebrek aan effect. Kleijn en Berendse suggereren dat de dichtheid aan regenwormen toeneemt met de bemestingsgraad, maar de gegevens daarover komen uit een Engelse studie en het is de vraag of die toepasbaar zijn op de hoge graad van bemesting in de Nederlandse graslanden.

Dat de weidevogelstand (tot nu toe) niet reageert op het agrarisch beheer is triviaal. De verwachting dat er meer weidevogels zouden broeden moet immers zijn gebaseerd op de hypothese dat weidevogels die percelen kunnen herkennen en ervoor kiezen daar te broeden. Het is niet precies bekend hoe weidevogels hun broedplaats kiezen. We weten dus ook niet of de vegetatie vroeg in het voorjaar of de regenwormenstand in die periode daarbij een rol spelen. In ieder geval hangt de broedvogelstand voor een groot deel af van de dichtheid in de percelen die niet onder agrarisch beheer zijn, want daar broedt hoe dan ook het grootste deel (80 procent) van de populatie.

Het aantal broedparen in percelen onder agrarisch beheer is dan ook niet het beste criterium om te bepalen of de maatregelen effect hebben. Een goed criterium daarvoor zou zijn of de paren die in de percelen onder agrarisch beheer broeden een beter broedsucces hebben. Dat laatste is waarschijnlijk omdat er minder jongen zullen sterven onder de maaimachine. In die percelen wordt immers later gemaaid. Dat zou dan de afname van de weidevogels in Nederland afremmen en, als er meer grasland onder agrarisch beheer zou komen zou die afname wellicht tot stand kunnen worden gebracht. Misschien is ook de voedselsituatie voor de jongen in die percelen beter.

De publicatie van Kleijn en Berendse is geen eindevaluatie van het agrarisch natuurbeheer, maar een prikkel om beter te onderzoeken hoe het agrarisch beheer effectief kan worden gemaakt.