Wachten

Onze vriendin Marianne liet ons een brief zien die ze aan minister Borst van Volksgezondheid had geschreven. ,,Uit pure wanhoop richt ik mij tot u'', begint die brief. ,,Over euthanasie wordt heel moeilijk gedaan. Als iemand zómaar dood wil, mag dat niet eens. Maar hoe zit het dan met mensen die willen blijven leven? Krijgen die daarvoor wél alle medewerking die ze behoeven? Ja, op de eerste hulp zal niemand tegen een patiënt met een slagaderlijke bloeding zeggen: sorry, volgende week bent u aan de beurt.''

Vervolgens legt Marianne kort en bondig uit wat er met haar aan de hand is. Ze is 56 jaar en lijdt aan slokdarmkanker. Op 7 juli van dit jaar ging ze voor het eerst met haar klachten naar de huisarts. Haar slokdarm verkrampte soms tijdens het eten, het voedsel wilde dan niet zakken.

De huisarts maakte nog diezelfde dag een afspraak met het ziekenhuis voor een inwendig onderzoek (endoscopie). Wachttijd: zes weken. Onderzoek en diagnose volgden op 22 augustus: slokdarmkanker, een groot gezwel. Nader onderzoek wees uit dat er nog geen uitzaaiingen waren. Hoe nu verder?

De chirurg twijfelde aan een curatieve (genezende) ingreep waarbij de hele slokdarm en een deel van de maag verwijderd zullen moeten worden. Was haar conditie goed genoeg voor zo'n buitengewoon zware operatie en was misschien de luchtpijp toch aangetast? Er kwam een aanvullend onderzoek waarvan de uitslag gunstig was. Ze kon op 20 september dus vier weken na de diagnose op de wachtlijst voor een operatie worden gezet. Daar staat ze nu nog steeds op, omdat de wachttijd vier tot zes weken bedraagt. Als alles meezit zal ze eind oktober worden geholpen bijna vier maanden nadat ze de klachten had gemeld.

Marianne wil de betrokken artsen niet aanklagen. Ze heeft begrip voor hun positie, één van hen heeft haar zelfs aangemoedigd die brief naar Borst te schrijven. Wat haar boos maakt, is dat de gezondheidszorg in een van de rijkste landen ter wereld kennelijk zó ontspoord is dat het niet mogelijk is doodzieke mensen als zij met spoed te helpen.

Aan het slot van haar brief schrijft ze: ,,Ik wil graag blijven leven, maar of dat er nog wel inzit, is de vraag. Adequate medewerking blijft vooralsnog uit. Er is geen wet die mij beschermt tegen `sterven door nalatigheid wegens wachtlijsten'.''

Inmiddels heeft een beleidsmedewerker van Borst haar gebeld. Borst zou de brief niet zelf te lezen krijgen, zei hij, maar de brief ,,zou wel meegenomen worden in de tellingen''. Mooi meegenomen.

De artsen probeerden Marianne gerust te stellen. Dat gezwel zit er al zo lang, die paar maanden kunnen er nog wel bij, zeiden ze. Ze kan het niet geloven. ,,Ze kunnen niet anders dan het bagatelliseren. Maar men zegt bij kanker toch niet voor niets: hoe eerder je erbij bent, hoe beter? Mijn klachten worden heviger, ik voel het gezwel groeien, het knijpt me letterlijk en figuurlijk dicht. De psychische belasting is bovendien enorm, ik ben in een nachtmerrie terechtgekomen. En niet alleen ik, maar ook mijn man die al vijf kilo is afgevallen – en dochter.''

Vorige week waren er nog twee wachtenden vóór haar.