...Maar het Europese moralisme is goedkoop

Niet weinigen suggereren dat Amerika de terroristische aanslagen zelf over zich heeft afgeroepen. Zij tonen zich daarmee slechte kenners van de geschiedenis, meent James Pressley.

Sinds 11 september hebben tal van Europeanen laten doorschemeren dat Amerika de verwoesting van het wereldhandelscentrum en het Pentagon ergens wel `verdiend' heeft.

Als Amerikaan die nu twaalf jaar in Europa woont, heb ik die uitspraken aanvankelijk schouderophalend afgedaan als de bekende mengeling van Europees relativisme en anti-Amerikanisme. Maar de laatste dagen begint dat gemakkelijke cynisme te knagen. Een paar stukjes uit mijn familiegeschiedenis kunnen misschien het waarom verklaren.

Op 31 mei 1917 stapte mijn opa met nog 41 andere jongemannen van de universiteit van Californië aan wal in het Franse Bordeaux. Ze wilden hun steentje bijdragen tijdens de Eerste Wereldoorlog en een historische bondgenoot helpen.

Voorjaar 1917 was voor Frankrijk een donkere tijd: het bloedbad bij Verdun had het jaar ervoor tot muiterij onder de Franse troepen in de loopgraven geleid. Sommige eenheden lieten, als ze het bevel tot de aanval kregen, een geblaat horen zoals lammeren die naar de slacht worden gevoerd. Hele divisies en regimenten weigerden naar de frontlinie te gaan. Zeker twintigduizend soldaten deserteerden.

Mijn opa en zijn kameraden waren dat voorjaar uit Californië vertrokken om te dienen bij de American Field Service, het vrijwilligersleger van ambulancebestuurders die gewonde soldaten van de loopgraven naar het hospitaal vervoerden. Ze kwamen uit vrije wil naar Frankrijk. Maar onderweg hadden ze gehoord dat ook de VS zich in de oorlog hadden gemengd en dat het Franse leger wanhopig mensen nodig had om munitiewagens te rijden. Dus hobbelde de eenheid van mijn opa uiteindelijk over gehavende weggetjes om met vijftonners vol granaten en andere munitie de gehavende Franse troepen te bevoorraden. Ze wisten het waarschijnlijk niet, maar op hun eigen bescheiden manier hielpen ze om het Franse leger bij Verdun te redden.

Mijn opa praatte zelden over de oorlog. Ik heb deze geschiedenis dan ook zelf bij elkaar moeten puzzelen. Maar één ding weet ik zeker: hij heeft nooit beweerd dat Frankrijk het `verdiend' had om leeg te bloeden bij Verdun. Frankrijk was voor hem een bondgenoot, een bakermat van de democratie en het land van Lafayette. Hij kwam uit de oorlog terug met een blijvende genegenheid voor de aardse moed van de Franse infanteristen, les poilus. Het motto van de Amerikaanse Field Service was royaal: Tous et tout pour la France.

Mijn opa had twee zoons. Beiden dienden als vrijwilliger bij de Amerikaanse luchtmacht gedurende de Tweede Wereldoorlog. Mijn vader werd als gevechtspiloot opgeleid voor de strijd overzee. Mijn oom werd boordschutter in een B-24-bommenwerper die missies boven nazi-Duitsland uitvoerde. Het dodental onder boordschutters was hoog, deels omdat in die glazen koepels geen ruimte voor een parachute was. Toch deed mijn oom zonder morren zijn werk (en overleefde het). Ik heb hem nooit horen zeggen dat België of Frankrijk de Blitzkrieg verdienden of dat Engeland de V2-raketten en andere explosieven verdiende die de nazi's op het centrum van Londen lieten regenen.

De aanvallen van 11 september op Amerika waren duidelijk aanvallen op de westerse beschaving. Maar ze waren in mijn ogen ook bedoeld om een wig te drijven tussen Amerika en zijn Europese bondgenoten. Daarin zijn de terroristen deels geslaagd.

Laten we wel wezen: de oorlog tegen het terrorisme is tot nu toe voornamelijk een Engels-Amerikaanse zaak. Franse en Duitse politici hebben weliswaar hulp aangeboden, maar in beide landen heerst onenigheid over de tot dusver beperkte deelname aan de campagne. Andere Europese NAVO-leden – neem Griekenland – berusten ternauwernood in het militaire optreden.

Van hun kant lijken de Europese consumenten te hebben `besloten' dat de terroristische dreiging alleen gericht is op Amerikaanse doelen: terwijl de Amerikanen massaal gasmaskers, plastic beschermingsmateriaal en antibiotica inslaan, kopen de Fransen en Duitsers alweer auto's en nieuwe badkamers. Dat is goed voor de economie.

Maar toch knaagt er iets in mij: dat veel Europeanen immuun denken te zijn voor het soort monumentale boosaardigheid dat van burgervliegtuigen reusachtige Scud-raketten maakt.

En dan is er ook altijd het anti-Amerikaanse gedram. Amper twee dagen na de aanslagen werd de Amerikaanse ambassadeur in Engeland, Philip Lader, in het BBC-discussieprogramma Question Time uitgejouwd door ultralinkse aanwezigen onder het publiek die zeiden dat Amerika de terreur als gevolg van zijn `anti-Arabische en pro-Israëlische politiek' over zichzelf had afgeroepen. Die kritiek weerklonk ook onder linkse Duitse intellectuelen en onder neonazi's. Andere Europeanen hebben zich van dergelijk gemoraliseer onthouden, maar zich wel misprijzend uitgelaten over de jongste uitbarsting van Amerikaans patriottisme: in een voorpagina-artikel in de Belgische krant De Standaard werd het gevlag tijdens de heropening van de beurs in New York gelijkgesteld aan `Disneyland met gasmaskers'.

Het is volkomen terecht om vraagtekens te zetten bij de Amerikaanse politiek in het Midden-Oosten. Iedereen die de Amerikaanse politiek volgt, weet dat wij daarzelf ook verdeeld over denken. Maar het is goed te beseffen dat het zaad voor het huidige conflict voor een groot deel is gezaaid ten tijde van de Europese kolonisatie en de twee wereldoorlogen. Het is ook wel zo eerlijk te bedenken dat tal van Amerikaanse soldaten – zonder te moraliseren – zijn gesneuveld om de vrijheid van Europa te behouden.

Mijn opa heeft bij mijn weten nooit gezegd dat de Franse legerstrategen de Eerste Wereldoorlog zijn ingegaan met de onzinnige gedachte dat ze de superieure Duitse artillerie en machinegeweren konden verslaan met bezielde bajonetaanvallen – de befaamde attaques à outrance. Ook hebben mijn vader of oom nooit tegen mij gezegd dat Europa de verschrikkingen van Adolf Hitler `verdiende' wegens de zware voorwaarden die Duitsland na de Eerste Wereldoorlog in Versailles kreeg opgelegd.

Ik vraag mijn Europese vrienden en familieleden niet om Amerika blind in de strijd te volgen. Amerika kan kritiek en historisch perspectief goed gebruiken. Ik vraag wel om goedkoop commentaar achterwege te laten en ons, voor zover uw gemoedsrust het toelaat, bij deze oorlog tegen het terrorisme te helpen.

Eens zullen historici zich afvragen waarom Amerika en Europa in de jaren negentig na de Koude Oorlog het `vredesdividend' hebben verkwist – terwijl het Midden-Oosten duidelijk op een ramp afstevende. Maar laten we de schuldvraag aan de geschiedenis overlaten en ons nu van onze taak kwijten.

James Pressley is redacteur van The Wall Street Journal Europe.

© The Wall Street Journal Europe