Het Spaansche ongedierte

In de jaren zeventig van de zestiende eeuw werd het fundament gelegd voor het latere Nederland. In dit decennium, de meest chaotische, onzekere en onveilige periode uit de geschiedenis van de Lage Landen, kwam de Opstand tegen het bewind van Filips II in haar meest gewelddadige fase. De legers van beide partijen, voornamelijk huursoldaten van vreemde bodem, deden weinig voor elkaar onder in gewelddadigheid. Toch vormde vooral het Spaanse huurleger in deze jaren een ware plaag voor de bevolking. De wijze waarop de Spanjaarden zich in 1572/1573 in steden als Mechelen, Zutphen en Naarden huis hielden, bezorgde hen de benaming van `Spaansch ongedierte'. In Mechelen lieten de Spanjaarden `geen spijker in de muur' en in Zutphen had het Spaanse leger de opdracht gekregen `geen enkele man in leven te laten en de stad in brand te steken'. Uit angst hetzelfde lot te ondergaan, gaven veel steden zich over en was het verzet in het zuiden en oosten gebroken.

Eind november 1572 was de opstand beperkt tot Holland en Zeeland. Het Spaanse leger trok op naar het westen om met een snelle operatie de laatste verzetshaarden te doven. In Naarden herhaalden de Spanjaarden hun beproefde methode in het vertrouwen dat ook de opstandige steden van Holland hun in de schoot zouden vallen. Toen graaf Van Bossu met honderd ruiters voor de poort verscheen om die in naam van de koning op te eisen, loste, aldus de negentiende-eeuwse geschiedschrijver Nuyens, ,,een timmerman, Krankhoofd in de wandeling genoemd, een stuk geschut op Bossu's soldaten. Deze daad, kwam den rampzaligen inwoners bitter te staan.''

Nadat de Spaanse troepen beloofd hadden dat ,,de burgers noch aan lijf of goed beschadigd zouden worden'' werden de poorten geopend. De bezetters werden door de burgers van Naarden op een maaltijd onthaald. Maar vervolgens werden de burgers naar de kerk gedirigeerd. ,,Toen zij hier waren'', aldus Nuyens, ,,werd hun door eenen priester aangezegd, dat zij één uur tijds hadden om zich ter dood te bereiden. En nu stormden de spaansche soldaten de kerk binnen, waar een afgrijslijk bloedbad door hen werd aangericht, waarbij vierhonderd personen omkwamen. Hierop staken zij de kerk en daarna de geheele stad in brand. De gruwelen, bij die gelegenheid aangericht, gaan alle beschrijving te boven, en bij het lezen daarvan rijst de vraag bij een ieder op, of de aanrichters van dergelijke tooneelen van verwoesting, moord en schennis ook duivelen in menschengedaante waren.''

Massaslachtingen als deze waren te talrijk om ze af te doen als excessen. Uit de correspondentie tussen Filips II en zijn landvoogd in de Nederlanden blijkt dat er welbewust naar de meest rationele methode voor de totale vernietiging van Holland en Zeeland gezocht werd. Filips II zag twee mogelijkheden: ofwel het platteland onder water zetten ofwel de dorpen in brand steken. Zolang de rebellen over de voortbrengselen van de bodem beschikten, zou de handel bloeien en konden zij de middelen opbrengen om de oorlog te bekostigen.

Het onder water zetten van Holland kende echter wel nadelen. Waren de dijken eenmaal doorgestoken, dan moest het land door het binnengedrongen zout de eerste jaren als verloren worden beschouwd. Met dit paardenmiddel werden niet alleen de Hollandse rebellen getroffen, maar ook de andere gewesten. Dit zou, zo rekende de in deze jaren op de rand van het bankroet balancerende Spaanse koning zich voor, een structurele financiële tegenvaller met zich brengen.

Aan het vuur kleefden deze bezwaren niet. Ook al werden de dorpen en de oogst verbrand, de bodem zelf bleef onaangetast. Uit vrees samen met de dorpen in vlammen op te gaan, zouden de steden, aldus een enthousiaste koning, zelfs haast maken met hun capitulatie. Om die reden was de timing van de invasie in 1575 erop gericht de hooioogst te doen mislukken en de militaire campagne moest minstens doorgaan tot de eerste regens het hooi hadden bedorven.

Bij zijn afwegingen zag Filips II echter één essentiële factor over het hoofd. Voor de uitvoering van deze opdrachten moest hij kunnen beschikken over loyale soldaten. En hierop kon hij steeds minder terugvallen. De schatkist in Brussel ontving maandelijks rond de 300.000 gulden uit Spanje, terwijl er minstens het viervoudige nodig was. Het gevolg hiervan waren grote achterstanden bij het uitbetalen van de soldij. In april 1574 sloegen Spaanse veteranen die nog 37 maanden soldij tegoed hadden, bij Mook aan het muiten. Dorpen en steden werden leeggeschud. In mei 1574 ontvingen muitende Spaanse troepen in Antwerpen meer dan één miljoen gulden uit handen van plaatselijke kooplieden die hun bezittingen niet wilden laten plunderen door troepen die hen eigenlijk hadden moeten beschermen.

Het geweld van de Spaanse soldaten, die geen onderscheid maakten tussen militairen en burgers, had tot gevolg dat velen die tot dan toe sceptisch stonden tegenover de opstandelingen, geleidelijk aan besloten het Spaanse leger te weerstaan. Het waren jaren van onzekerheid, van terreur en chaos, van plundering en dood. Wouter Jacobsz. beschrijft in een reisverslag: ,,Ik zag ook onderweg [van Haarlem naar Amsterdam], tussen veel kadavers van beesten die hier en daar lagen, een naakt mens op het midden van de weg liggen, nagenoeg in het spoor van de wagens. Deze was geheel door de zon verdord, vrijwel geplet, zodat een fatsoenlijk mens moest schrikken als hij dit zag. En het was verbazend dat er niemand gevonden werd die dit lijk weg wilde halen of het met wat aarde wilde bedekken. Het bleef daar liggen als de resten van een beest.''

H. van Nierop, Het verraad van het Noorderkwartier. Oorlog, terreur en recht in de Nederlandse Opstand (Amsterdam, 1999).