Greet Hofmans: Raspoetin of zuiver mens?

Greet Hofmans wekt, bijna een halve eeuw na haar optreden aan het koninklijk hof, nog steeds veel belangstelling. De inmiddels overleden gebedsgenezeres is bijvoorbeeld deze week nog onderwerp van een groot symposium. Recente geschiedschrijvers zien haar als slachtoffer van koninklijke manipulaties in plaats van als intrigante, zoals prins Bernhard haar beschreef.

In 1948, het jaar dat Jomanda, de bekendste gebedsgenezeres van nu, geboren wordt, ontmoet prinses Juliana de bekendste genezeres uit de Nederlandse geschiedenis, Greet Hofmans. In dat jaar begint een affaire die in 1956 bijna tot een constitutionele crisis leidt en die een halve eeuw later nog altijd zo gevoelig ligt dat gerespecteerde historici toegang tot relevante archiefstukken wordt geweigerd. Een affaire die zo pikant is dat ze bij elke nieuwe `onthulling' nog altijd op aandacht kan rekenen.

Nieuwe boeken blijven verschijnen, er is een toneelstuk over gemaakt en een docudrama. Deze week verschijnt de tweede druk van de biografie van oud-premier Beel met nieuwe feiten, zoals dat heet, over de affaire. Donderdag wordt de herdruk ingeluid met een symposium. Het tv-programma Andere Tijden zal volgende maand gewijd zijn aan de kring rond Hofmans en er wordt geschreven aan het scenario voor een speelfilm over haar leven.

Dat deze affaire die na de onthulling ervan in de buitenlandse pers, in juni 1956, binnen een halfjaar weer uit de wereld werd geholpen zo lang kon naijlen, heeft alles te maken met het decor waartegen zij zich afspeelde: het koninklijk huis, een overgevoelige plek in de Nederlandse samenleving. Als ook het geloof nog een rol speelt, zoals in de Greet-Hofmansaffaire, dan is er stof genoeg voor een halve eeuw Nederlands schandaal en wie weet voor hoeveel langer nog.

In 1948 ontvangen prinses Juliana en prins Bernhard Greet Hofmans op paleis Soestdijk. Zij heeft een reputatie als paranormaal genezeres. In een restaurant in het Gelderse Hattem houdt zij sessies waarbij zich enkele wonderbaarlijke genezingen zouden hebben voltrokken. En het prinselijk paar heeft een wonderbaarlijke genezing nodig: hun jongste dochter, Marijke, is in 1947 met een ernstige, volgens artsen ongeneeslijke oogafwijking geboren. Bij haar eerste ontmoeting met het meisje, zo vertelt prins Bernhard in 1961 aan zijn biograaf, deelt Hofmans echter mee ,,dat God haar heeft gezegd dat de ogen beter zouden worden''. Als genezing uitblijft, komt Bernhard vijandiger te staan tegenover Hofmans. Voor Bernhard, schrijft de historicus Lambert Giebels, valt ze door de mand als ze hem adviseert zijn Olympische springpaard No No Nanette soep met balletjes te voeren. Juliana echter blijft haar als vertrouwelinge beschouwen, met wie zij diepreligieuze gevoelens deelt.

Deze situatie krijgt een nieuwe lading in 1952, als Juliana, inmiddels koningin, en Bernhard een staatsbezoek aan de Verenigde Staten afleggen. Juliana houdt hier enkele toespraken waar politiek getouwtrek aan te pas is gekomen. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken wil voor de inhoud ervan geen verantwoordelijkheid nemen. De toespraken bevatten veel filosofische en mystieke bespiegelingen over vreedzaam samenleven en liefde voor de medemens. Dat zijn opvattingen die in de wereldorde van de jaren vijftig, met NAVO en Warschaupact door een IJzeren Gordijn strikt gescheiden, licht kunnen worden opgevat als verdacht pacifisme.

Dat gebeurt dan ook en de schuld daarvoor wordt, in ieder geval door Bernhard, gelegd bij Greet Hofmans. Of de echtelijke twist die in deze jaren ontstond, veroorzaakt is door Hofmans' invloed op Juliana of dat de verwijdering tussen de echtgenoten Hofmans ineens invloed gééft op de koningin, daarover zullen leden uit het toenmalige Bernhard- en het Juliana-kamp het wel nooit eens worden.

Feit is dat paleis Soestdijk in twee vleugels scheurt en dat Juliana van Bernhard wil scheiden. Dat is in het Nederland van de jaren vijftig ondenkbaar. Er komt een commissie aan te pas, onder leiding van oud-premier Beel, die oordeelt dat Juliana het contact met Hofmans moet verbreken, hetgeen zij doet. Vanaf 1956 hebben de twee voorzover bekend geen contact meer.

Jarenlang is de gangbare lezing geweest dat Bernhard ferm heeft ingegrepen in een Raspoetin-achtig complot. Dat heeft alles te maken met het feit dat de prins de zaak gretig, anoniem, zo uitlegde aan bevriende buitenlandse journalisten. Recent onderzoek, zoals de Beel-biografie van Giebels, beschrijft de geschiedenis meer als een `affaire-Soestdijk': steeds verder uit de hand lopende ruzies van een echtpaar, waarbij Bernhard zijn eigen rol handig wist te camoufleren met de figuur van Hofmans.

,,Daar logeerde ze.'' Albert Bredenhoff zet zijn auto stil voor wat je een kapitale villa mag noemen: groot, met zachte ronde hoeken, een rieten dak en een uitbundige tuin eromheen. `Windekind' staat op de smetteloos witte muur. Hier woonde de familie die Greet Hofmans onderdak bood toen zij, door een innerlijke stem gedwongen, in 1946 Hattem aandeed.

Bredenhoff, die onderzoek doet naar de geschiedenis van het occultisme, schreef samen met journalist Joop Offringa een biografisch werk over Hofmans. Ook zonder haar was Hattem al occult en spiritueel genoeg. In de jaren twintig vestigde zich hier als kippenfokker M.J.J. Exler, pionier op het gebied van de homo-emancipatie. Hij hield zich bezig met theosofie en astrologie en trof in de plaatselijke baron Van Heeckeren van Molencaten een geestverwant.

Exler en Hofmans hebben elkaar nooit ontmoet. Hij sterft in 1939, als zij, naar eigen zeggen ,,een eenvoudig Amsterdams meisje'', nog bij textielatelier Atek werkt. Het is 1946 als zij ineens de stem van Exler in haar hoofd hoort. In een interview met Het Parool, twee jaar voor haar dood, zegt ze het zo: ,,Ik zag de altijd openstaande bron waaruit ik mijn werk kan doen. Een concreetheid en feitelijkheid die iedere fantasie tot nul reduceert.'' Het is `Ex' die haar opdrachten (`toetsingen') geeft. Het is Ex die haar naar villa Windekind stuurt, waar het blaadje Cosmisch Licht wordt uitgegeven (ondertitel: `Beschouwingen over religie, astrologie, philosophie, parapsychologie, graphologie, aardstralen, psychische therapie, enz.'). Het is Ex die haar wijst waar baron Van Heeckeren in de oorlog zijn kostbare vazen heeft begraven. De familie, waarvan de zoon particulier secretaris is van prinses Juliana, is wát dankbaar voor haar ingrijpen.

Het is met Ex' hulp dat zij in deze kringen faam krijgt als wonderdoener. Maar er zijn uit deze tijd ook minder enthousiaste verhalen. Regelmatige bezoekers van Windekind verklaarden Bredenhoff dat Hofmans met haar dwingelandij voor tweespalt zorgde en dat verschillende echtparen in echtscheiding raakten. Hofmans' heiligverklaring door nog levende aanhangers (,,ze gaan nu allemaal dood'') vindt hij onterecht. ,,Ik heb niet zo'n hoge pet op van al haar nobele bedoelingen.''

Ergens in het voorjaar van 1948 vertelt Hofmans haar getrouwen dat ze zich heeft vergist. De bron waarmee ze spreekt is niet Exler, maar Christus. Volgens Bredenhoff bewijst dit dat zij berekenend was. ,,Dit was een tour de force zoals je alle occulte charlatans ziet maken. Je kunt per slot van rekening niet blíjven opdraven met een homoseksuele kippenfokker als Meester.'' En Hofmans wilde hoger reiken.

,,Het Oude Loo bezoeken? Dat is bij God en Hare Majesteit onmogelijk!'' P. Rieter is al vijftien jaar gids op paleis Het Loo, zegt hij, en hij is nog nooit binnen geweest. Je mag eromhéén, en dan nog alleen in april en mei, als de rododendrons bloeien.

Het Loo was het verblijf van de oude koningin Wilhelmina. Zij stelt in de zomer van 1951 het beschutte jachtslot van haar paleis ter beschikking voor een bijeenkomst `van genodigden van verschillende nationaliteit, positie en professie, ten einde zich uit te spreken over Vrede-stichting door oriëntering op de ene aanvaarding: GOD GRONDLEGGER DER WERELD EN DAAROM ONOVERWINNELIJK', zoals de uitnodiging luidt.

De `posities' van de genodigden mogen dan verschillend zijn, op de deelnemerslijst staan meer baronnen, jonkvrouwen en gravinnen dan doorgaans bij Jomanda in de zaal zitten. Barones van Heeckeren komt, Marga Klompé, de latere minister van Cultuur, generaal Koot, vertrouweling van Bernhard, koningin Juliana en Wilhelmina. En Greet Hofmans.

Zij luisteren naar de welkomstwoorden van organisator Wim Kaiser, die jarenlang met Hofmans samenwerkte. Hij houdt de bezoekers voor dat hier niet wordt ,,gestreefd naar zichtbaar resultaat, doch naar dienen door ploegen en geploegd worden, zaaien en gezaaid worden en aanvaarding van de heilige Vaagheid''.

Hofmans sprak niet op deze bijeenkomsten, zegt Wies Minnema, dochter van Kaiser. Zij was er wel, maar ze zat gewoon aan een tafeltje te luisteren. Volgens Bredenhoff kón Hofmans er niet spreken, daar de voertaal Engels was. Juliana, díe diende de sprekers van repliek, zegt Rob de LaRive Box, oud-staflid van de Rijksvoorlichtingsdienst en af en toe aanwezig bij de bijeenkomsten die na het succes van de eerste twee keer per jaar werden gehouden.

Box zegt dat Hofmans op het Oude Loo wel consulten gaf, aan haar tafeltje of wandelend in het park. ,,Zij was geen gebedsgenezeres, zoals is beweerd'', zegt Box. ,,Zij bád mensen niet gezond. Ze gaf adviezen. Nooit zei ze: zo is het, zo moet het.'' Volgens Minnema raakte Hofmans ook niet in trance. ,,Zij zat, concentreerde zich en kreeg dan een `doorgeving', zoals ze dat noemde.'' De gnosticus Gilles Quispel, die Hofmans meemaakte bij sessies en onderstreept dat hij haar genezingen ontkent noch bevestigt, vergelijkt haar werkwijze met wat tegenwoordig channeling heet, en met wat Jomanda doet als zij haar publiek door instraling behandelt. In een interview in Elsevier's Weekblad (1956) zegt Hofmans zelf: ,,Ik heb een bepaalde formule waarmee ik mijn patiënten opdraag aan Christus. Die formule mag ik niet zeggen.''

Haar `doorgevingen' werden uitermate serieus genomen, ook door medici. Rob Box kent een arts die voor hem niet te behandelen gevallen aan haar voorlegde. ,,En met succes.'' De journaliste dra. M.G. Schenk bezocht Hofmans tijdens een spreekuur in Amsterdam en trof er, schrijft zij, ,,zo'n vijftig mensen, merendeels vrouwen'' aan ,,met typisch psychosomatische klachten''. Wies Minnema zegt: ,,Het was in die tijd nu eenmaal niet zo gewoon om bij een psychotherapeut aan te kloppen als nu.''

De schaarse foto's die van haar bekend zijn, tonen een ranke vrouw met een streng, benig gezicht met haast mannelijke trekken, het haar uit haar gezicht gehouden met speldjes, de ogen droef. Alles wat verder over haar wordt gezegd is interpretatie en altijd gekleurd door het standpunt van de spreker ten opzichte van deze vrouw. Zo schrijft Schenk dat zij ,,met haar lange haar, puntige neus, harde, mannelijke trekken en ronduit lelijke, doordringende ogen bepaalde mensen aan een toverkol [doet, red.] denken''. Maar vraag het aan Wies Minnema-Kaiser, dan had Hofmans ,,een markant gezicht, waar kracht uit sprak. En een warme blik, als dat nodig was.''

Prins Bernhard vertelt zijn biograaf Hatch dat Hofmans reguliere artsen bij Soestdijk weghield. Zelf zegt ze in het Elsevier-interview dat zij patiënten naar de dokter verwijst. Box zegt dat zij nooit een cent vergoeding kreeg, Bredenhoff zegt dat ,,met name in de beginperiode geld wel degelijk een rol speelde''. Zeker is dat Hofmans na haar verbanning van Soestdijk niet de publiciteit heeft gezocht terwijl Minnema weet dat de pers met lucratieve aanbiedingen aan de deur kwam. ,,Je ziet dat ze zich steeds meer ontwikkelde tot de zuivere mens die ze wilde zijn.''

Hoe al die hooggeplaatste mensen van haar in de ban raakten ,,is voor mij een raadsel gebleven'', zegt Rob Box, ,,en dat zal het voor u ook blijven''. Ze had ,,absoluut niet de magie van Raspoetin'', zegt Gilles Quispel, die wel zag dat mensen door haar gebiologeerd raakten, maar die daar naar eigen zeggen niet gevoelig voor was. ,,En mijn vrouw ook niet.''

Lambert Giebels denkt dat het voor Hofmans' invloed vooral erg functioneel is geweest dat ze in de schaduw van de koningin opereerde. Voor de vatbaarheid van zijn vrouw geeft Bernhard een zakelijke verklaring aan Hatch. Juliana, enig kind met een sterke moeder, was altijd onzeker geweest. En ineens komt daar een vrouw die ,,haar het zelfvertrouwen geeft dat ze zo nodig had''.

Op haar sterfdag in 1998 staat een overlijdensadvertentie in De Telegraaf: `Voor vele ouderen van nu was zij reeds tijdens haar leven op aarde een bron van inspiratie, een grote geestelijke steun en voorbeeld van naastenliefde, onbaatzuchtigheid en van een dienaresse Gods. Gestorven 16 november 1968 en toch onsterfelijk.'

,,Er zat iets'', zegt Albert Bredenhoff over haar gaven. ,,Er zat iets.''

Bronnen: A. Bredenhoff en J.T. Offringa: Greet Hofmans, occult licht op een koninklijke affaire ; Lambert J. Giebels: Beel van vazal tot onderkoning; Alden Hatch: Prins Bernhard, zijn plaats en functie in de moderne monarchie; Dra. M.G. Schenk en Magdaleen van Herk: Juliana, vorstin naast de rode loper