Elkaar in de ogen zien

Over geluk ging het gesprek. Wat het is. Over het verschil tussen momentaan en duurzaam geluk, want iedereen kent wel momenten van verrukking die hij gerust `geluk' zou durven noemen, die zich dwars door melancholie, grauwheid of verdriet heen boren, maar die niet voldoende zijn om van een hele periode te kunnen zeggen: `dat was een gelukkige tijd'. Duurzaam geluk dan, waardoor wordt dat veroorzaakt. In vroeger tijden was het heel gewoon om het geluk van het individu in verband te brengen met het welzijn van de gemeenschap. Of we dat nog zo vonden, of dat ons persoonlijke geluk zich erg weinig van de gemeenschap aantrok. We neigden lichtelijk naar dit door ons afgekeurde egoïsme dat we desalniettemin, streng als we wilden zijn, in onszelf meenden te bespeuren. Overstromingen, scheepsrampen, burgeroorlogen in Afrika of Ierland, ons geluk kan ertegen. Als we gelukkig zijn tenminste. En dat hangt weer van heel andere dingen af.

Toen vroeg iemand: ,,Zijn jullie nu minder gelukkig sinds 11 september?''

Wonderlijk. Bijna iedereen zei ja.

Hoe dat kan, wilden we dan ook wel weten. Waarom kan iemand een bom tussen Ierse schoolkinderen in gooien zonder dat wij zeggen dat we nu minder gelukkig zijn, verdrietig jawel, tijdelijk geschokt ook, maar meteen daarna worden we weer gewoon als altijd. Nu niet. Daar zijn natuurlijk voor de hand liggende redenen voor. We voelen ons, hoe dan ook, meer persoonlijk aangevallen, we hebben misschien wel geloofd dat we op weg waren naar een duurzame vrede, we zijn banger. Veel banger, blijkbaar. Je hoeft maar een krant op te slaan om te zien hoe bang iedereen is, niet alleen voor miltvuur, maar ook voor `de islam' en sommigen zelfs voor elke moslim. Er is een macht die onze waarden niet wil. En er zijn zelfs terroristen die bereid zijn alles op alles te zetten om die waarden, die hele manier van leven van ons, te verwoesten. Er zijn ineens `anderen' die we vrezen en daardoor beginnen te verafschuwen.

In het laatste nummer (29) van het onvolprezen tijdschrift Nexus stond de bijdrage afgedrukt die de Zuid-Afrikaan Albie Sachs had uitgesproken op een conferentie over liefde en dood. Net zo'n soort peilloos onderwerp als geluk. Sachs was mensenrechtenadvocaat onder het apartheidsregime en zijn activiteiten werden hem niet in dank afgenomen. In 1988 probeerde men hem op te blazen met behulp van een autobom, hij verloor bij die gelegenheid een arm en het gezichtsvermogen van een oog.

Hij vertelde hoe hij op een dag, na de omwenteling in Zuid-Afrika, gebeld werd door een man die zei dat hij degene was die verantwoordelijk was geweest voor die autobom. En dat hij graag langs zou willen komen. ,,Ja, kom maar'', zei Sachs. Hij was nieuwsgierig, zei hij, net zoals de man, die Henry heet. ,,Ik deed de deur open en daar stond de man die ik niet kende, die ik niet haatte, die mij niet kende, die had geprobeerd me te vermoorden.'' Ze praten met elkaar. Bij het afscheid wil Sachs Henry geen hand geven, maar hij zegt: ,,Als jij een bijdrage levert aan de Waarheidscommissie, als jij iets doet voor Zuid-Afrika komen we elkaar misschien nog eens tegen, wie weet.'' Bijna een jaar later komt Sachs Henry op een feest tegen. Henry is erg opgewonden en vertelt dat hij de Waarheidscommissie heeft geschreven en dat vroegere strijdkameraden van Sachs bij hem op bezoek zijn geweest, en Sachs geeft hem een hand. ,,Hij ging hevig verrukt weg en ik viel bijna flauw.'' Sachs spreekt in dit verband van `verlossing'. Hij is door die ervaring verlost. ,,We verlosten elkaar en hielpen het land zichzelf te verlossen, niet door heroïsche gebaren, maar gewoon door elkaar persoonlijk te ontmoeten en in de ogen te zien.''

Op die bijdrage van Sachs werd door anderen gereageerd. Ze zeiden dat het woord `verlossing' misschien niet zo gelukkig gekozen was, dat het `vergeving' zou moeten zijn, ja, dat dit nu een heel mooi voorbeeld was van vergeving.

Nee, zei Sachs, het was geen vergeving. Het was iets veel sterkers, het was verlossing. Hij was bevrijd van de angst voor de onbekende anderen, en omgekeerd waren die ook bevrijd. En bovendien zijn Sachs en de zijnen erin geslaagd een nieuwe samenleving te maken die niet is begonnen met moord en doodslag, ze verheugen zich omdat ze in staat zijn geweest die Henry, en zovele andere Henry's te laten leven, niet met gelijke munt terug te betalen, om de waarden die ze hoog wilden houden ook daadwerkelijk hoog te houden. Vergeving is veel te klein en te toevallig voor wat hij probeerde uit te drukken, zei Sachs. ,,Het is in staat zijn in één land te leven met mensen die hebben geprobeerd je te vermoorden en die wij misschien hebben geprobeerd te vermoorden, en een gemeenschappelijke menselijkheid te ontdekken.''

Dat klinkt wel een beetje verheven. Het zou zelfs uitgesproken retorisch en domineesachtig kunnen klinken. Maar niet uit de mond van de man met de ene arm die bijna dood was, door toedoen van de man die hij tijdens een feest een hand heeft gegeven, omdat die man net als hij in een land wil leven waar het nu anders en beter toegaat.

Ik denk wel dat je Sachs `gelukkig' zou mogen noemen. En misschien zelfs Henry ook.