Wij hebben deze oorlog al verloren

Een duivelse cyclus dreigt van wanhoop, haat en wraak. En het wordt nooit meer veilig in de achtertuin, meent John le Carré.

Acht oktober 2001. Het is oorlog, schrijven de kranten. Maar met wie? En hoe moet dat aflopen? Met een in de boeien geslagen Osama bin Laden die met een meer dan serene uitdrukking op zijn Christusgelaat voor een tribunaal van de overwinnaars staat, met Johnnie Cochrane als advocaat? Het honorarium zal in elk geval geen probleem zijn.

Of met een Bin Laden die is opgeblazen door een van die slimme bommen waar we steeds over horen, zo'n bom die een terrorist in een grot kan doden maar het huisraad heel laat? Of is er een oplossing waar ik nog niet aan heb gedacht, één die kan voorkomen dat we onze aartsvijand veranderen in een aartsmartelaar in de ogen van al die mensen voor wie hij toch al half goddelijk is?

En toch moet hij worden gestraft. Hij moet terechtstaan. Net als alle verstandige mensen zie ik geen andere oplossing. We kunnen voedsel en medicijnen sturen, hulp bieden, de uitgehongerde vluchtelingen, verminkte wezen en lichaamsdelen de onbedoelde schade bij elkaar vegen, maar Bin Laden en zijn handlangers moeten we te pakken zien te krijgen. Er zit niets anders op.

Alleen wil Amerika op dit moment, behalve vergelding, helaas meer vrienden maken en minder vijanden. Maar wat Amerika zich nu juist op de hals haalt, net als de Britten, zijn nóg meer vijanden. We kunnen namelijk niet voorkomen dat telkens wanneer een onschuldig dorp door een verdwaalde raket wordt weggevaagd, een zelfmoordterrorist wordt geboren. En niemand weet hoe we deze duivelse cyclus van wanhoop, haat en – alweer – wraak moeten vermijden.

De geregisseerde televisiebeelden en foto's van Bin Laden wekken de indruk van een homo-erotisch narcisme. Misschien kunnen we daaruit een greintje hoop putten. Of hij nu poseert met een kalasjnikov, een bruiloft bijwoont of een heilige tekst leest – met elk zichzelf verheerlijkend gebaar straalt hij de camerabewustheid van een acteur uit. Hij is lang, knap, gracieus, intelligent en charismatisch, allemaal prachtige karaktertrekken, tenzij je de meest gezochte voortvluchtige ter wereld bent: dan zijn het juist lastige, moeilijk te verhullen eigenschappen. Maar sterker dan al die trekken is, in mijn oude ogen, zijn amper beheerste mannelijke ijdelheid, zijn zin voor zelfdramatisering en zijn heimelijke hunkering naar het voetlicht. En heel misschien zal die eigenschap hem noodlottig worden en hem verleiden tot een ultieme, dramatische zelfvernietigingsscène, opgevoerd, geregisseerd en tot zijn dood toe gespeeld door Osama bin Laden in eigen persoon.

Volgens de algemeen aanvaarde spelregels van het terrorisme is de oorlog allang verloren. Door ons. Er valt immers geen overwinning meer te behalen die de al geleden nederlagen kan goedmaken, laat staan de nog te verwachten nederlagen. `Terreur is theater', zei een Palestijnse onruststoker tegen mij in het Beiroet van 1982. Hij had het toen over de moord op Israëlische sportlieden tijdens de Olympische Spelen in München, maar hij had het evengoed kunnen hebben over de twee torens van het WTC en het Pentagon. Wijlen Bakoenin, de kampioen van het anarchisme, sprak liever van de propaganda van het toneel. Er is bijna geen theatralere, sterkere propaganda te bedenken dan dat.

Zij zullen zich in hun handen wrijven – Bakoenin in zijn graf en Bin Laden in zijn grot. Omdat wij aan het proces beginnen waar hun slag terroristen van houdt: nu we in allerijl onze politie- en spionagediensten dubbel zo groot maken en hun meer bevoegdheden verlenen, nu we fundamentele burgerrechten opschorten en de persvrijheid beperken, verboden onderwerpen in het nieuws aangeven en heimelijke censuur instellen, onszelf bespionneren en in onze slechtste momenten moskeeën vernielen en ongelukkige burgers op straat achtervolgen omdat hun huidskleur ons angst aanjaagt.

Alle angsten die we nu allemaal kennen – Durf ik te vliegen? Moet ik de politie vertellen van dat rare stel hierboven? Zou het vanmorgen veiliger zijn om niet naar Whitehall te rijden? Is mijn kind veilig terug van school? Is mijn spaargeld nog iets waard? – het zijn precies die angsten die de aanvallers ons toewensen.

Tot 11 september spuiden de Verenigde Staten maar al te graag kritiek op Vladimir Poetin en zijn moordpartijen in Tsjetsjenië. De mensenrechten die Rusland in het noorden van de Kaukasus met voeten trad, zo kreeg hij te horen – en dan hebben we het over marteling op grote schaal en aan genocide grenzende moordpartijen – vormden een hinderpaal voor nauwere banden met de NAVO en de VS. Er gingen zelfs stemmen op – en de mijne was daar een van – dat Poetin zich misschien maar bij Miloševic in Den Haag moest voegen: laten we hen maar meteen samen aanpakken. Dat is allemaal verleden tijd. Bij de vorming van de grote nieuwe coalitie zal Poetin een heilige zijn vergeleken met sommige van zijn collega's.

Herinnert iemand zich nog de storm van kritiek vanwege het zogeheten economische kolonialisme van de G8? Vanwege het feit dat oncontroleerbare multinationale bedrijven de Derde Wereld uitzogen? Praag, Seattle en Genua zorgden voor verontrustende beelden met bloedende hoofden, glasscherven, massaal geweld en wreed politieoptreden. Maar het was terecht dat erover gediscussieerd werd. Uiteindelijk is die discussie in een bekwaam door het Amerikaanse bedrijfsleven uitgebuite golf van patriottisme gesmoord.

Wie vandaag de dag over Kyoto begint, wordt er al gauw van beschuldigd anti-Amerikaans te zijn. Het is of we in een nieuwe Orwelliaanse wereld terecht zijn gekomen, waar onze persoonlijke betrouwbaarheid als strijdmakker wordt beoordeeld naar de mate waarin we het heden proberen te verklaren uit het verleden. Wie oppert dat er een historische context bestaat voor de recente gruweldaden praat ze impliciet goed. Wie vóór ons is, doet dat niet. Wie dat wel doet, is tegen ons.

Tien jaar geleden was ik een idealist. Ik hield iedereen tot vervelens toe voor dat, nu de Koude Oorlog achter de rug was, wij een unieke kans lieten schieten om de wereld te veranderen. Waar was het nieuwe Marshall-plan, vroeg ik. Waarom reisden jonge mannen en vrouwen uit het Amerikaanse Vredeskorps, de Overzeese Vrijwilligers en hun Europese tegenhangers niet met duizenden tegelijk af naar de voormalige Sovjet-Unie? Waar was de grote staatsman en leider die voor ons de werkelijke, zij het minder bekoorlijke vijanden van de mensheid schetste: armoede, honger, slavernij, dictatuur, drugs, almaar doorwoedende oorlogen, rassendiscriminatie, onverdraagzaamheid, inhaligheid?

Nu zijn, dankzij Bin Laden, onze leiders van de ene dag op de andere veranderd in grote staatslieden. Er is jammer genoeg gerept van een kruistocht, niet alleen door Berlusconi. Een kruistocht wijst natuurlijk op een `heerlijk' gebrek aan historische kennis. Wilde Berlusconi echt de heilige plaatsen van het christendom bevrijden en de heidenen wegvagen? En Bush? En is het misplaatst anderen eraan te herinneren dat we de kruistochten in feite hebben verloren? Maar er is niets aan de hand: Berlusconi was verkeerd geciteerd en de woorden van de president gelden niet meer.

Ondertussen gaat Blair zijn nieuwe rol als onbevreesde spreekbuis van Amerika vlot af. Blair spreekt goed omdat Bush slecht spreekt. Van buitenaf gezien is Blair in dit samenwerkingsverband de ervaren staatsman met een onaantastbare machtsbasis in eigen land, terwijl Bush bijna niet gekozen was. Maar wat vertegenwoordigt Blair, die ervaren staatsman, eigenlijk? Beide mannen halen op dit moment hoge cijfers in de opiniepeilingen, maar beiden weten, als ze hun geschiedenis kennen, dat een hoge score op de eerste dag van een gevaarlijke militaire operatie overzee geen garantie is voor een overwinning op de dag van de verkiezingen. Hoeveel Amerikaanse slachtoffers kan Bush hebben voordat hij de steun van de Amerikanen verliest? Na de gruwelen van het WTC en het Pentagon wil het Amerikaanse volk weliswaar wraak, maar het ziet niet graag dat Amerikaans bloed wordt vergoten.

Of Blair zich daarmee in de gunst van zijn kiezers zal kunnen verheugen is een andere kwestie, want Blair was gekozen om het land van de ondergang te redden en niet van Osama bin Laden. Het Groot-Brittannië dat hij aanvoert in de oorlog, is een monument voor zestig jaar overheidsfalen. Onze gezondheidsvoorzieningen, ons onderwijs en ons openbaar vervoer zijn naar de filistijnen. Het is op dit moment mode om er het stempel `Derde Wereld' aan te geven, maar er zijn plaatsen in de Derde Wereld die veel beter af zijn dan Groot-Brittannië. Het Engeland waar Blair regeert, wordt geteisterd door geïnstitutionaliseerd racisme, blanke mannen die het overal voor het zeggen hebben, een chaotisch bestuurde politiemacht, een vastgelopen rechtssysteem, weerzinwekkende particuliere rijkdom en schandalige, onnodige armoede. Op het moment dat Blair bij verkiezingen met een bedroevende opkomst werd herkozen, gaf hij deze problemen toe en erkende hij nederig dat er hoognodig iets moest gebeuren.

Wanneer u dus die nobele snik in zijn stem hoort terwijl hij ons met tegenzin ten oorlog voert, en uw hart opspringt bij zijn onmiskenbaar bloemrijke retoriek, weet dan dat hij u misschien tegelijkertijd, sotto voce, waarschuwt dat zijn missie voor de mensheid te belangrijk is: u zult nog een jaar moeten wachten op uw urgente ziekenhuisoperatie en nog veel langer voordat u in een veilige en punctueel rijdende trein kunt stappen. Ik weet niet of daarmee over drie jaar de verkiezingen kunnen worden gewonnen.

Als ik Blair zie en beluister, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat hij in een droomwereld leeft en zijn einde tegemoet gaat.

Hebben Blair of Bush weleens een aan flarden geschoten kind gezien, of het effect gezien van één clusterbom op een onbeschermd vluchtelingenkamp? Wie zoiets afschuwelijks heeft gezien, is nog niet per se gekwalificeerd om generaal te worden, en ik wens niemand die aanblik toe. Maar het beangstigt me wel als ik ongeschonden politieke gezichten zie stralen in de gloed van de strijd en keurige politieke stemmen hoor die mij voorbereiden op de oorlog.

President Bush, alstublieft, premier Blair, ik smeek u: houd God erbuiten. Wie denkt dat God oorlog voert, schrijft hem de ergste dwaasheden van de mensheid toe. Als we ook maar iets weten over God, en ik pretendeer dat niet, dan geeft Hij de voorkeur aan efficiënte voedseldroppings, toegewijde medische teams, steun en degelijke tenten voor hen die hun huis en familie kwijt zijn. En onvoorwaardelijke, fatsoenlijke erkenning van onze vroegere zonden en de bereidheid ze goed te maken. Hij heeft ons liever minder inhalig, minder arrogant, minder evangeliserend, en minder afwijzend tegenover degenen die het niet redden in de wereld.

Het is geen nieuwe wereldorde, nog niet, en het is Gods oorlog niet. Het is een afschuwelijke, noodzakelijke, vernederende actie die het falen van onze geheime diensten moet goedmaken, evenals onze blinde, politieke stommiteit om islamitische extremisten te bewapenen en te gebruiken in de oorlog tegen de binnendringende sovjets en hen vervolgens alleen te laten in een verwoest land zonder leider. Nu is het onze trieste plicht een stelletje modern-middeleeuwse godsdienstfanaten op te sporen en te straffen. Maar die, zodra wij hen doden, juist zullen uitgroeien tot legendarische figuren.

En wanneer het voorbij is, zal het niet voorbij zijn. De schimmige legers van Bin Laden zullen in de emotionele tijd na zijn dood eerder groter worden dan wegkwijnen. Net als de achterban van zwijgende sympathisanten die hun logistieke steun bieden. Voorzichtig, tussen de regels door, wordt ons gevraagd te geloven dat het geweten van het Westen is wakkergeschud en weer aandacht heeft voor het probleem van de armen en daklozen van de wereld. En mogelijk is er uit de angst, noodzaak en retoriek een nieuw soort politieke moraal geboren.

Wanneer het oorlogsrumoer wegsterft en een schijnbare vrede intreedt, zullen de Verenigde Staten en hun bondgenoten dan op hun post blijven of zullen ze net als aan het eind van de Koude Oorlog het geweer aan de wilgen hangen en naar hun eigen achtertuin terugkeren? Maar die achtertuintjes zullen nooit meer zo veilig zijn als vroeger.

John le Carré is schrijver.

© David Cornwell 2001