Werkende moeders

Er zijn categorieën werkende moeders (en vaders-huismannen):

1. thuiswerkende moeders in het eigen gezin;

2. thuiswerkende moeders met soms enorme mantelzorgtaken voor gehandicapte kinderen, zieke familieleden, bejaarde ouders;

3. thuiswerkende moeders (officieel) maar zwartwerkend buitenshuis, óf betaald óf in ruildienst. Dit is een zeer grote categorie;

4. buitenshuis witwerkende moeders.

Argumenten om buitenshuis betaalde arbeid (wit) te verrichten zijn doorgaans van financiële aard, waarbij de financiële onafhankelijkheid in een goede partnerrelatie betrekkelijk is, doch het er-even-uit-zijn en andere sociale contacten hebben wél als belangrijk worden ervaren.

Het emancipatoire argument in de zin van ontwikkeling geldt vooral voor hoger opgeleide vrouwen. Voor de lager opgeleide vrouwen zit er niet veel arbeidsvreugde in de kassa, de lopende band, het poetsen noem maar op.

Het thuis-opvoeden is voor hen meestal voordeliger dan crèche of oppas. De overheid, in casu de dames Verstand (staatssecretaris, Emanacipatiezaken) en Jorritsma (minister, Economische Zaken) – zelf op goed betaalde interessante jobs – pleiten óók voor economische belangen van de overheid: werkende vrouwen brengen meer belastinggeld, ziekenfondspremie en pensioenpremie in het laatje. Mocht een wit-werkende vrouw scheiden, dan behoeft de overheid geen bijstandsuitkering te betalen.

Heeft de overheid ook belang bij een goed, dat wil zeggen liefdevol, opgevoede volgende generatie? Moeder-thuis en huishoudelijke functies worden totaal ondergewaardeerd tót het moment, dat moeder er niet meer is: de weduwnaar die plotseling kinderoppas, gezinszorg, poetshulp, tuinman, wasserij, glazenwasser, verpleegster, weekendhulp etcetera moet inhuren, merkt pas de economische waarde van het gemis. Het lijkt langzamerhand wel of alleen datgene wat in geld uitgedrukt kan worden, van waarde is. Geborgenheid, liefdevolle aandacht en gezelligheid: ouderwets?