Rekel (1984-2001)

Rekel is nu zes weken dood en nog steeds denk ik bij bepaalde geluiden in huis dat hij uit zijn mand probeert te komen, dat ik hem moet helpen.

Hij was een gezelschapsdier in hart en nieren. Misschien heeft dat hem op het eind nog het meest pijn gedaan, dat we hem steeds vaker alleen moesten laten. Aan de andere kant: hij sliep veel en werd extreem vergeetachtig. Als je thuiskwam keek hij je onzeker aan. Dan vroeg hij zich af of je weg was geweest.

Hij is 17 geworden. In juni '99 ging hij nog mee naar de Alpen. Toen was hij 15 (ik heb nu die dwangmatige behoefte om bij alles te vermelden hoe oud hij was), en toen heeft hij alles nog meegelopen, tochten van een uur of vijf, hoogteverschillen van duizend meter. Op de foto's zag ik pas hoe moe en moedeloos hij achter ons aankwam en natuurlijk, dat verontrustte me. Had ik dat in het veld gezien, dan had ik hem wel gespaard. Maar in het veld zag je hem anders. In het veld zag je een hond die nooit opgaf.

Later dat jaar kochten we een huis in Arnhem. We zijn een paar keer naar de bouw wezen kijken. Ik herinner me dat ik tegen hem zei: ,,Als je nou dood bent en je wilt weten waar we zijn, dan zijn we hier.'' Ik maakte vaak grapjes over zijn dood. Maar dat heeft het uiteindelijk niet makkelijker gemaakt, voor hem niet, voor mij ook niet.

Hij was ruim een jaar toen we hem uit het asiel in Gouda haalden. Hij zat daar al vier maanden. Ik denk wel eens dat hij op dat moment dicht bij zijn dood moet zijn geweest. Dan zie ik de weg die we daarna zijn gegaan, ik zie hem tussen de hazen in de polder, ik zie hem tussen de alpenmarmotten in de bergen, en dan besef ik wat een geluk we hebben gehad. Maar ik denk ook wel eens dat het alleen maar een geweldige omweg is geweest, want dood is hij nu toch. Wat is de zin van dit alles? Deze vraag moet je koste wat kost vermijden.

In het begin was Rekel een allemansvriend, dol op mensen in het algemeen; hij rende kwispelend op iedereen af. Maar slim was-ie ook. Binnen een week had hij door dat dit onnodige moeite was. Opeens begreep hij dat hij bij óns hoorde en vanaf dat ogenblik lieten andere mensen hem koud. Hij wist nu waar het in zijn leven op aankwam: óns moest hij nooit meer uit het oog laten. Vasthoudend en een tikje bezorgd, zo was hij.

De verhuizing heeft hij nog gehaald. Al die onrust in het heetst van de zomer, dat zal hem geen goed hebben gedaan. Ik vermoed dat hij een paar maanden langer had geleefd als we in Woerden waren gebleven.

Maar vraag me niet wat voor 'n maanden dat waren geweest. Ik hád al een keer genoteerd: zou Rekel vandaag ook maar een moment plezier hebben gehad? Gevaarlijke woorden. Eén stap verder en je zit eraan vast, je moet consequenties verbinden aan je conclusies.

Rekel in Arnhem. Ik geloof niet dat hij zich hier erg gedesoriënteerd heeft gevoeld. Niet erger dan in Woerden in elk geval. Ook daar wist hij de weg niet meer. Ik zal niet zeggen dat hij al helemaal van Alzheimer was, maar helemaal van mij was hij ook niet meer.

Maar de zwaarte van het terrein heeft hem zeker parten gespeeld. Bossen, heuvels, precies het terrein dat eens zijn lust en zijn leven was. Maar nu met versleten heupen en een onwillig hart. Natuurlijk had ik meteen een nieuwe vaste ochtendwandeling uitgezet (als een hond ergens bij helpt is het wel bij gewoontevorming) en ik kom daar nog wel, in dat stuk bos, en dan zie ik hem nóg lopen, stap voor stap achter me aan.

Hij was moe, dat kon je merken, hij was defect, dat kon je ook merken, en hij zal ook wel pijn hebben gehad, maar daar merkte je niets van. Hij kreunde niet, hij piepte niet, hij weigerde niet. Hij deed er alleen ontzettend lang over.

Ik neem aan dat ik te optimistisch ben geweest. Ik dacht: het gaat wel over. Want zo was het altijd gegaan, altijd als er iets was, was het overgegaan. En als hij werkelijk een stapje terug moest doen, nou, dan organiseerde je de boel op dát niveau en dat bleek dan telkens ook te gaan. Telkens weer was er uitzicht op het eeuwige leven. Telkens weer denk je afstel te kunnen kopen in een winkeltje dat alleen uitstel in de aanbieding heeft.

Toen hij nauwelijks meer kon staan, kon hij altijd nog lopen. En toen kon hij ook nauwelijks meer lopen. Bij de geringste oneffenheid was het of zijn eigen staart hem naar de grond trok. Dan zakte zijn linkerachterpoot weg en dan draaide hij in de rondte en als je dan snel meedraaide kon je hem aan zijn riem meteen weer overeind trekken. De vaardigheden die je je onder zulke omstandigheden eigen maakt – huiveringwekkend.

Achteraf zou je zeggen dat het een nachtmerrie was, en dat was het ook, achteraf. Toen was het gewoon een strijd die we waren aangegaan, een inspanning waartoe we ons hadden verplicht. En hij voerde dit gevecht al zo lang, dit gevecht om almaar ouder te worden, om altijd bij ons te blijven - moest ik daar dan een eind aan maken? Ja, misschien wel, misschien had ik dat moeten doen. Misschien heb ik erop gespeculeerd dat hij me uiteindelijk van de verantwoordelijkheid zou ontslaan. Rekel, altijd al zo'n makkelijk hondje geweest.

De vraag is niet of ik van hem hield. De vraag is of je ooit genoeg van een dier kunt houden om de juiste beslissingen te nemen.

Er waren trouwens nog steeds momenten – dan lag hij opeens weer heel pienter om zich heen te kijken, of hij liep in het bos nog één keer voor je uit (naar beneden natuurlijk) , of hij at nog één keer uit zichzelf zijn eten op, of hij kwam nog één keer lijnrecht naar het balkon lopen om bij ons in de zon te gaan liggen.

Op vrijdag 7 september, 's morgens tegen achten, kreeg hij een zware hartaanval. Ik was erbij toen het gebeurde. Ik ben blij dat ik erbij was, anders had ik het, denk ik, nóg niet begrepen.

Daarna heeft hij waarschijnlijk weinig meer gemerkt. Hij keek me wel aan toen ik hem uit zijn mand tilde om naar de dierenarts te gaan, ik dacht nog steeds dat er iets gedaan moest worden, maar in zijn ogen zag je in plaats van de gebruikelijke ongerustheid alleen nog maar een stille verwondering.

Het probleem is: als je een dier houdt met een duidelijk doel, is er ook een duidelijk moment voor zijn dood. Heeft het voldoende vlees op zijn botten, geeft het geen melk meer, kan het de kar niet meer trekken, dan laat je het slachten en als dat netjes gebeurt, nou, dan moet het maar. De jager die zijn geweer neemt om een overbodige hond persoonlijk dood te schieten – het heeft iets tragisch, het heeft iets wreeds, maar het heeft ook iets moois.

Maar een gezelschapsdier zal nooit ophouden gezelschap te zijn, ook niet als hij afgeleefd is, ook niet als je bij thuiskomt ontdekt dat hij je hele kamer heeft bevuild – of misschien is hij dan juist wel meer gezelschap dan ooit.

Ik geloof dat ik op het eind wel drie uur per dag met hem bezig was, en als ik niet met hem bezig was hield ik hem voortdurend in de gaten, en als ik niet thuis was was hij toch voortdurend in mijn gedachten. Zeeën van tijd had ik opeens, toen hij dood was, zeeën van tijd en ik wist me er absoluut geen raad mee.

Die nacht had hij in zijn eigen urine gelegen. 's Avonds rook ik het bij vlagen nog. Een praktijklesje biologie: zo hardnekkig is de geur waarmee een reu de ruimte waarin hij leeft markeert. Ik snoof de laatste moleculen Rekel op en ik dacht: het hoeft niet meer jongen, nooit meer.