`Poederofficier' neemt malloten serieus

Hoe strafbaar is het versturen van een envelop met poeder? Justitie wil snelrecht toepassen op verdachte afzenders.

,,U spreekt met uw moordenaar.'' Dit telefoontje ontving een burgemeester in het noorden des lands in de jaren vijftig. De beller legde, zonder zich bekend te maken, direct de telefoon op de haak. Een kwalijk telefoontje. Maar was dit ook strafbare bedreiging? Met deze vraag hebben de rechters geworsteld. De rechtbank gaf een bevestigend antwoord, het hof sprak in hoger beroep zonder nadere motivering echter vrij.

Deze zaak is illustratief voor het probleem van de strafbare bedreiging dat nu opeens actueel is door enveloppen met witte poeder die angstreacties veroorzaken na het miltvuuralarm in de Verenigde Staten. Voorshands vallen de afzenders in de categorie van `malloten', zoals de minister van Binnenlandse Zaken hen noemde.

Justitie neemt de bedreigingen er niet minder ernstig om. Er wordt een speciale `poederofficier van justitie' aangesteld en de top van het openbaar ministerie wil snelrechtprocedures toepassen. Het is ook denkbaar dat de schade van extra controlemaatregelen wordt verhaald op een afzender.

Aanknopingspunt is het onderdeel `misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid' in het Wetboek van strafrecht. De lichte variant van bedreiging kent een strafmaximum van negen maanden. Op meer gerichte vormen staan maxima van twee en vier jaar. In deze laatste gevallen is uiteindelijk bepalend of de bedreiging erop is gericht iemand te dwingen iets `te dulden'. De zwaarste variant van het delict vergt wel dat de dreiging op schrift is gesteld.

Sinds wanneer is het strafbaar een onschuldig poeder op de post te doen, vroeg een verslaggever op de televisie. In strafrechtelijke termen heet dat `een absoluut ondeugdelijk middel'. Je kan niet iemand vermoorden met een koperen cent.

Bij bedreiging ligt dat per definitie minder eenvoudig. Dit delict speelt zich af in het grijze gebied tussen daadwerkelijk geweld en loze gebaren.

En zelfs dan: het is niet vereist dat de dader ook werkelijk het voornemen had zijn dreigement tot uitvoering te brengen, bepaalde de Hoge Raad al in de jaren dertig. Voor een veroordeling is zelfs niet vereist dat de persoon die het doelwit was zich inderdaad bedreigd voelde, zei de rechtbank Maastricht in 1971. Waar het om gaat, is of `een indruk' wordt teweeggebracht waardoor een gemiddelde mens zich in zijn vrijheid belemmerd voelt.

Vervolg POEDERBRIEF: pagina 2

Laakbaar angst zaaien

Vervolg van pagina 1

Dat laat de nodige juridische speelruimte. Interessant in het geval van de nepantrax-paniek zijn vooral de begeleidende omstandigheden. Bedreiging kan uit de daad zelf spreken.

Het klassieke voorbeeld is de automobilist, die zonder een woord van waarschuwing inrijdt op een douaneambtenaar of een politiefunctionaris bij een verkeerscontrole.

Iemand kan zich schuldig maken aan strafbare bedreiging, zei de rechtbank in Zwolle in de jaren vijftig. Met behulp van een buis en een plankje die op dertig meter afstand verdacht op een geweer lijken. In dat laatste geval riep de verdachte wél: ,,ik schiet je dood''.

Dat is precies het knellende punt bij de poedermalloten. De brief aan de Rabobank Alkmaar met een onschuldig poeder, doch het woord ,.,miltvuur'' op de envelop geschreven, zal de justitie waarschijnlijk weinig juridische moeilijkheden bezorgen.

Het Utrechtse ICT-bedrijf dat een relatiegeschenk verstuurde met een wierookstokje dat in de postsorteermachines onverhoopt werd verpulverd, zal er daarentegen wel met zijn excuusbrief van afkomen.

De vraag is hoe de justitie in de tussengevallen de verhoogde maatschappelijke allergie voor wit poeder verdisconteert.