PLATVISSEN HELPEN STRANDLOPERS AAN NONNETJES ALS VOEDSEL

Nonnetjes graven zich in in de waddenbodem om te voorkomen dat zij door kanoetstrandlopers worden opgegeten. Maar als platvissen hun lange adem- en voedselbuis (sifon) afknagen, kunnen ze niet diep genoeg wegkruipen om buiten bereik van de vogelsnavel te blijven. Tenzij de zeebodem een voedselarme zandvlakte is. Dat concludeert biologe Petra de Goeij die onlangs in Groningen promoveerde.

Nonnetjes zijn schelpdieren met kleine, pastelgetinte schelpen die in de waddenzeebodem leven. De Goeij vroeg zich af waarom ze vaak net niet diep genoeg onder het slik wegkruipen om buiten het bereik van kanoetstranlopers te blijven. Kanoetstrandlopers, die tijdens de trek met honderdduizenden op de wadden aansterken, eten vrijwel alleen nonnetjes.

In een bak van 2,5 meter in het vierkant bootste ze de Waddenzee na, met slikbodem, zeewater en getijden. Het aquarium werd met nylon gaas in vijftien vakken verdeeld. In elk vak liet de biologe achttien nonnetjes los. Kleine vlaggetjes, met draadjes op de schelpen geplakt, verrieden waar en hoe diep de schelpdieren zich hadden ingegraven: 3,5 tot vier centimeter.

Na twee weken liet De Goeij jonge schollen los in de helft van de vakken. De andere helft diende als controlegroep. De schollen knaagden aan de sifons waarna de vlaggetjes iets omhoog kwamen. Tien dagen later zaten de door schollen geplaagde nonnetjes zo'n halve centimeter minder diep dan de controlegroep. Dat lijkt niet veel, maar die halve centimeter bracht de schelpen wel binnen het bereik van een kanoetstrandlopersnavel. Een kanoet kan een nonnetje tot een diepte van 3,5 centimeter uit het wad peuren. Sifon-knabbelende vissen vergemakkelijken dus het voedsel zoeken van kanoetstrandlopers.

De Goeij herhaalde het experiment nog twee keer en in één geval bleken de nonnetjes zich maar liefst zes centimeter in te graven. Knagende platvis dwong ook deze schelpen een halve centimeter omhoog, maar dan nog zaten ze veilig voor kanoetstrandlopers. Waarom groeven de nonnetjes uit die andere twee proeven zich dan minder diep in? Om daarachter te komen begroef de onderzoekster nonnetjes op verschillende dieptes, nu in de echte Waddenzee. De schelpen zaten aan luxaflex-strips vastgeplakt en konden dus geen kant op. Kooitjes beschermden de nonnetjes tegen platvis en andere belagers. De schelpen bleken trager te groeien naarmate ze dieper in het wad zaten. Kennelijk kregen ze daar minder te eten. De biologe deed ook deze proef drie keer en ontdekte dat de schelpen in zandige bodem minstens vijf centimeter diep wegkropen, en in slik slechts een centimeter of twee.

In slik is veel voedsel te vinden. De biologe zag hoe de nonnetjes dat opslurpten door met hun sifon als een stofzuigerslang rond te zwaaien. Om hun sifon daarvoor ver genoeg te laten uitsteken konden ze zich slechts een paar centimeter begraven. Maar van een zandige bodem valt niets op te slurpen. Daar moesten de nonnetjes het doen met in het zeewater voorbij zwevende hapjes. En die konden ze vanuit de beschutting van de bodem opzuigen. Ze kregen minder te eten, maar waren veilig voor kanoetstrandlopers.

Kanoetstrandlopers moeten het dus van slik hebben voor hun jacht op nonnetjes. Slik wordt geproduceerd en vastgehouden door kokkels en mossels. Waar die worden weg gevist ontstaan zandvlakten. Voor kanoetstrandlopers betekent dat de hond in de pot.