Het gekwetter verstomt

De huismus is niet meer doodgewoon. In korte tijd is de populatie gehalveerd. Steden verdichten en tuinen worden steeds overzichtelijker en schoner. `Als het zo doorgaat, wordt de mus nog een zeldzame vogel', zegt mussen- kenner Kees Heij.

errieschoppers worden ze genoemd, agressieve en kleurloze lawaaimakers.Ook staan ze bekend als langslapers, alleseters en onvermoeibare minnaars. Graanboeren mopperen over hun vernielzucht en grijpen naar hun buks. Maar lang niet iedereen heeft een hekel aan ze. In het antieke Rome bezongen dichters hun sierlijk gezang al. En voor veel mensen zijn het aandoenlijke scharrelaars die met hun gezelligheid troost bieden.

We hebben het over de Passer domesticus, de huismus, het meest onaanzienlijke schepsel ter aarde volgens het Nieuwe Testament. Een vogel die op alle continenten voorkomt en die als geen ander bij mensen hoort. Daar waar mensen zijn zijn mussen. Tjilpend in de dakgoot, parend in de vensterbank, nestelend achter de regenpijp, op het terras bedelend om een kruimel appelgebak en in de berm onverteerde granen pikkend uit een hondendrol.

Tot voor kort klonk het mussenlied (tsjiep, tjissiep, tjilp, trrrtètèt) in vrijwel elke achtertuin. Maar het praatzieke gekwetter verstomt. Op veel plekken klinkt nog slechts het gekweel van de merel, het gekoer van duiven en het tsjak-tsjak-tsjak van de ekster. Ook in de lucht is sprake van conjunctuur. Aaseters als de kauw en de vlaamse gaai zijn talrijker geworden. De blauwe reiger verloor zijn schuwheid en bevolkt nu elke stadsvijver. En sinds de aalscholver niet meer wordt bejaagd, gaat het deze viseter ook duidelijk beter.

Andere vogels vliegen echter achteruit. Neem de Rode Lijst van Vogelbescherming Nederland. Alleen al van de namen van deze 57 bedreigde en kwetsbare vogelsoorten gaat het hart van vogelliefhebbers sneller kloppen. De draaihals, roodborsttapuit, snor, tureluur en zomertaling namen de afgelopen jaren met een kwart in aantal af. Nog slechter gaat het met de duinpieper, kemphaan, ortolaan en het woudaapje. Zo goed als verdwenen zijn de griel, hop, kwak en de roodkopklauwier.

Ook met sommige algemene vogels die niet op de Rode Lijst staan gaat het slecht. Zoals met de ordinairste aller vogels, de huismus. Al een aantal jaren is de mus niet meer doodgewoon. De Nederlandse mussenpopulatie is in korte tijd vermoedelijk bijna gehalveerd. In binnensteden doet de mus het zelfs nog slechter. Voor de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging (KNNV) reden om 2001 uit te roepen tot het jaar van de huismus. Een groot onderzoeksproject moet binnenkort de aanzet leveren tot een pakket beschermingsvoorstellen voor het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.

Voor het onderzoek riep de vereniging de hulp in van het publiek. Wie wil mussen tellen? De respons op de oproep bleek onverwacht groot. Zelfs in de Amsterdamse Pijp gingen bewoners in groten getale de straat op. Sinds januari ontving de vereniging ruim tienduizend telkaarten. ,,We kregen ook veel brieven van mensen die hun mussen zo missen'', zegt Marijke van Damme van de KNNV. ,,Sommige briefschrijvers zijn zo boos dat ze andere vogels als kauwen, roeken en eksters de schuld geven. Heel aandoenlijk, maar dat is echt onzin. Eksters en kauwen zijn geen grote nestrovers.''

Ook de politiek kwam onlangs in actie. De huismus kreeg in de stad Groningen een plaats in het programma van D66 voor de gemeenteraadsverkiezingen van maart volgend jaar. Het plan is om duizend scholieren een speciale dakpan te geven die voor de mus geschikt is om in te nestelen. ,,De huismus maakt nu nog deel uit van ons collectieve geheugen'', zegt raadslid Thomas van Dalen (26). ,,Maar als we niks ondernemen, komt er straks een generatie die de mus niet kent.''

Een charmant ,,sociaal-liberaal'' vogeltje dat zich door niemand de wet laat voorschrijven, zo omschrijft Van Dalen de huismus. Het raadslid probeert via een amendement de mus ook onder te brengen in het landelijk verkiezingsprogramma van D66. ,,Meer aandacht voor stadsnatuur is hard nodig'',zegt Van Dalen. ,,Het verdwijnen van een vogelsoort die zo vergroeid is met de mens, is een signaal. Onze positie in het milieu is te dominant geworden.''

Een van de mensen die blij zijn met de pogingen het lot van de mus te verbeteren is Marion Bijster. De psychologe uit Enschede bracht zeker honderd mussen groot. In haar manege regent het in het voorjaar regelmatig mussen. Deze jongen vallen uit de nesten in de spanten van de rijhal. Als de hulpeloze vogeltjes niet gegrepen worden door een manegekat of onder een paardenhoef terecht komen, neemt Bijster de mussenjongen in een emmertje mee naar huis. Ze stopt ze onder een lamp en voedt ze met een mengsel van Whiskas en opfokvoer voor kanaries. Na een tijdje gaan ze in steeds grotere kooien en tenslotte vliegen ze uit. ,,Zodra ze zelf gaan eten worden gezonde mussen van de ene op de andere dag wild'', zegt Bijster.

Met uitzondering van Eitje dan. Dit musje houdt de psychologe al acht jaar gezelschap. ,,Eitje was kaal en kogelrond. Hij kan nog steeds niet vliegen, is niet zo snugger, maar wel heel lief'', zegt Bijster. ,,Als ik 's morgens beneden kom en de lamp aandoe, scheldt hij me verrot. Maar als ik de cd met vogelgeluiden opzet of ga stofzuigen, begint hij vrolijk te zingen.''

Honkvast

Niet alleen in Nederland gaat het slecht met de huismus. In heel West-Europa constateren vogelkenners een afnemende trend. De Belgische mussenpopulatie ging in dertig jaar tijd met 70 tot 80 procent achteruit. De Engelse premier Blair noemde het verdwijnen van de mus in een toespraak eind vorig jaar als een pijnlijk voorbeeld van de achteruitgang van het milieu. The Independent loofde in het voorjaar zelfs een prijs van 5.000 pond uit voor degene die de verklaring geeft voor het verdwijnen van de house sparrow.

Onmogelijk, zegt Kees Heij. Volgens de Rotterdamse mussenkenner is er niet één oorzaak aan te wijzen die de achteruitgang verklaart. Waarschijnlijk is er sprake van diverse factoren met een sterk cumulatief effect. Maar vast staat er nog niks, zegt Heij, want naar de teruggang van mussen is nog weinig wetenschappelijk onderzoek gedaan. Pas sinds kort zijn vogelbeschermers begonnen met georganiseerde tellingen. Over een aantal jaren kan pas worden vastgesteld, zegt de bioloog, welke veronderstellingen hout snijden.

Heij (61) promoveerde in 1985 op de huismus. Hij onderzocht in zijn proefschrift wat de gunstigste omgeving is voor deze honkvaste vogel, die doorgaans een leefgebied heeft van maximaal 600 meter. Toen hij als leraar aan een Rotterdamse kweekschool ,,op zijn ruggenmerg'' ging lesgeven en afleiding zocht, begon Heij in de jaren zeventig aan zijn mussenstudie. Op weg naar school telde hij dode mussen. Gewapend met een kijker en een aantekenboekje liep hij minstens één keer per week door de stad om verschillende mussenpopulaties te bestuderen. In de eigen wijk leverde dat geen problemen op, daar kenden de buren hem. In het centrum van Rotterdam kwamen bij de politie weleens telefoontjes binnen van stadsbewoners die een `voyeur' in de bosjes hadden gesignaleerd. Ook in de Hoekse Waard, waar Heij in Strijensas een rurale populatie bestudeerde, gaf het onderzoek aanvankelijk problemen. Was die man met de verrekijker geen controleur van de kijk- en luisterdienst op jacht naar zwartkijkers?

Dat er iets aan de hand was met de huismus merkte Heij pas na het voltooien van zijn proefschrift. Een collega-bioloog wees hem in 1985 op de krokussen in zijn tuin. Dertig jaar achtereen hadden mussen die elk voorjaar gesloopt. Voor het eerst stonden de bloemen dat jaar ongeschonden in het perk. Ook in zijn eigen omgeving zag Heij de mussen daarna geleidelijk verdwijnen. Bijvoorbeeld de mussenpopulatie in de kinderboerderij in de Rotterdamse wijk Schiebroek. Die bestond ten tijde van zijn promotieonderzoek soms uit wel achthonderd vogels. Dit jaar telde Heij nog slechts twaalf broedparen.

Moeiteloos somt de ornitholoog een aantal mogelijke oorzaken op voor de achteruitgang van de huismus. Door andere bouwwijzen van woningen vinden mussen geen plek meer om hun nest te bouwen. De meeste moderne huizen hebben een plat dak of musdichte dakpannen. De leefomgeving van mussen verslechtert in meer opzichten. Steden verdichten steeds verder en tuinen worden steeds overzichtelijker en schoner. Smalend spreekt Heij van ,,Intratuin-tuinen'': geen grote populieren, geen voor mussen vluchtveilige ligusterheggen, geen grasperken, maar grind en schuttingen.

Ook is er minder voedsel beschikbaar. Huismussen zijn alleseters, maar om gezond te blijven moeten ze ook wat anders eten dan restjes patat en gemorste stukjes Hema-worst. Maar met de kwaliteit van het groen in de stad neemt ook de hoeveelheid insecten af. In de stad liggen ook allang geen voedselrijke paardenvijgen meer. En GFT-bakken zijn nu afgesloten emmers. Plattelandsmussen kunnen niet meer fourageren in graanvelden, want boeren stapten in de jaren tachtig massaal over op het voor mussen oneetbare maïs. En de graanplaatsen van de stad, het gras tussen de stoeptegels, spuit of brandt de gemeente tegenwoordig weg.

Sinds 1997 geniet de huismus, het onkruid onder de vogels zoals J. Bernlef eens dichtte, wettelijke bescherming. Mussengilden in Brabant en Zeeland zijn sindsdien gezelligheidsverenigingen geworden en verdelgen niet langer vogels. Daar staat tegenover dat het aantal mussenjagers in de stad is toegenomen. Zowel katten als roofvogels lusten graag een musje. Observatie van een sperwernest in Amsterdam leerde dat vijf jonge sperwers in het broedseizoen bijna driehonderd mussen gevoerd kregen.

De toename van het verkeer berokkent eveneens veel mussenleed. Vooral in het voorjaar, als de stress onder de naar een partner zoekende mannetjesmussen het grootst is, worden veel mussen doodgereden. Tenslotte wijst Heij op een publicatie van D. Summers-Smith. Deze Engelse mussenkenner noemt de loodvrije benzine een belangrijke doodsoorzaak. Deze in 1988 ingevoerde benzine zou een chemische toevoeging voor de verbranding bevatten die in gebieden met veel verkeer funest is voor mussen.

Wildste dier

Hoe het ook zit, net als het Groningse D66-raadslid Van Dalen beschouwt Heij de achteruitgang van de mus als een verontrustend signaal. ,,We moeten ons zorgen maken als zo'n mensgebonden vogeltje verdwijnt. Het is een teken dat ons milieu verandert. De olifant sterft uit omdat zijn biotoop te klein wordt, dat snap ik. Geldt dat ook voor de huismus? Produceren we te veel giftige stoffen? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat in het Kralingse Bos in Rotterdam al jaren geen eekhoorns meer zijn en dat we al opgetogen raken als hier nog eens een vleermuis rondfladdert. Hoeveel wespen zie je nog? En hoeveel muggen? Ik heb er dit jaar pas twee in huis gehad.''

De afgelopen vijftien jaar deed Heij in Indonesië onderzoek naar het Moluks grootpoothoen. Natuurbeheer? Het langdurige verblijf in de tropen heeft de onderzoeker cynisch gemaakt. Te vaak zag hij de handel en economie aan het langste eind trekken. Een paar jaar geleden stond hij in de Rotterdamse haven nog voor een container met 1,2 miljoen diepgevroren ringmussen, familie van de huismus. De uit China afkomstige vogels bleken op weg naar Italië om daar tot mussensaté te worden verwerkt. Nee, het idee dat we de natuur lenen van onze kinderen is geen gemeengoed, verzucht Heij. ,,Kijk eens wat we met de waddenzee uitspoken. De kokkelvangst gaat daar gewoon door. En de eidereend en de scholekster zijn de dupe. In Nederland hebben we geen natuur meer. Elke decimeter grond is hier op de schop geweest. We spreken de laatste tijd vooral over het maken van natuur! Ik moet daar om lachen. Stadsecologie, dat is naar mijn mening alles wat we hier nog hebben. Beesten en planten die zich aanpassen aan een stedelijke omgeving. De huismus is eigenlijk het wildste dier van ons land. Laten we Nederland maar volbouwen. Als we dan in godsnaam maar zuinig zijn op de natuur in landen als Polen.''

Ook Siegfried Woldhek is ervan overtuigd dat Nederland voor veel vogels te vol raakt. Maar in tegenstelling tot Heij heeft de oud-directeur van Vogelbescherming Nederland wel fiducie in de plannen voor nieuwe natuur. ,,Nederland kan een heel rijk natuurland worden. Voor trekvogels is ons deltagebied in principe buitengewoon aantrekkelijk. Maar dan moet je de natuur wel hier en daar de ruimte geven.''

Woldhek signaleert hoopgevende initiatieven, maar stelt tegelijk vast dat deze in Den Haag niet aanslaan. ,,Beleidsmakers uit de hele wereld kwamen kijken hoe wij dijken hebben doorgestoken om nieuw waterland te creëren. Dat is een verhaal dat elders veel opzien baarde. Maar hier valt zo'n initiatief dood. `Oja, is er weer een verdwenen vlindertje teruggekeerd?', zo wordt er gereageerd. Het ontbreekt aan durf om een aantal grote stukken land te bestemmen tot natuurgebied.''

Heij is somber over de toekomst van de huismus. Het Natuurmuseum in Rotterdam vond vroeger twee dode mussen in de collectie voldoende; musea richtten de aandacht in het verleden liever op de ortolaan of de nachtegaal. Tegenwoordig aanvaarden de curatoren dankbaar elke dode mus die Heij langsbrengt. ,,De tijd om te collectioneren is gekomen. Als het zo doorgaat wordt de huismus nog een zeldzame vogel.''

Eind november houdt de ornitholoog in Artis in Amsterdam een lezing over de mus ter afsluiting van het mussenproject van de KNNV. Drie datatypistes zijn op het verenigingskantoor in Utrecht nog druk in de weer met het verwerken van de gegevens van de ruim tienduizend binnengekomen telkaarten. Na de lezing hoopt Heij met hulp van een sponsor weer zo snel mogelijk naar Indonesië te kunnen vertrekken voor een nieuwe expeditie naar de binnenlanden van Papoea Nieuw Guinea. Voorlopig gaat zijn aandacht nog uit naar het Moluks grootpoothoen. Pas als hij in een rolstoel zit, zegt de oud-leraar, gaat hij de huismus weer bestuderen.

Wellicht kan Heij tegen die tijd onderzoek doen naar een opmerkelijke hypothese die op de website van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging wordt gegeven voor het verdwijnen van de huismus. In het elektronisch gastenboek maakt mussenliefhebber Harrie Nieuwenhuis uit Hengelo zich op 25 februari boos over het kappen van bomen in zijn gemeente: ,,De mussen gaan weg omdat de mensen hier zoooo chagrijnig zijn! In andere landen zijn mensen veel vriendelijker en blijer en daar is de mus in overvloed.''