Formatievliegen

Weer is het half oktober en weer buigen wij ons over het raadsel van de vogeltrek. Als het vandaag net zo nevelig is als gisteren zal er van de trekkende trekvogels niet veel te merken zijn, hoogstens wat gekwaak of gepiep uit het onbestemde grijs dat voor de hemel hangt. Maar als de zon doorbreekt zou men nog een aardige waarneming kunnen doen. Wat trekt daar, waarheen trekt het en hoe. Dat soort dingen. Om maar te zwijgen over: waarom.

Want het kan niet genoeg gezegd: de vogeltrek is een mysterie. Waarom vogels überhaupt trekken weet niemand. Van nauw verwante soorten is de ene vogel soms met geen stok in beweging te krijgen terwijl de ander niet weet hoe gauw hij ons mooie landje weer verlaten moet als het nest is leeggevlogen. De ene trekvogel verdwijnt al in juli, de ander is soms in november nog niet weg.

Vandaag nog eens aandacht voor dat wonderlijk fenomeen dat vaak in samenhang met de trek valt waar te nemen: het vliegen in formatie. Veel van de wat zwaarder uitgevallen watervogels hebben er een gewoonte van gemaakt in formatie te vliegen. Bij zeeëenden en aalscholvers is de I-formatie, de linie dus, favoriet, bij landeenden en ganzen de V. Scholeksters, wulpen en sommige meeuwen doen het een of het ander, meldt een bevriende vogelaar. En in het buitenland ziet men zelfs kraanvogels en pelikanen in V-formatie vliegen.

Waarom doen die vogels dat? Precies drie jaar geleden is daar in deze rubriek ook al eens kort over nagedacht. Van oudsher wordt aangenomen dat de vogels het doen om energie te besparen, want het moest ergens goed voor zijn natuurlijk en iets beters wou niemand te binnen schieten. Toen de onderzoekers P. Lissaman en C. Shollenberger op 22 mei 1970 in Science berichtten dat hun computersimulaties de energetische voordelen van het V-vliegen bevestigden was daarmee voor velen voor lange tijd de kous af.

Aan de vleugeltips van vliegende vogels worden luchtwervels opgewekt die de vleugeltips van naburige vogels een soort gratis `lift' geven, was kortweg de opvatting. Wat later kwam er meer aandacht voor de beperkingen van de studie van Lis en Shol. Er bleek te zijn gewerkt met zeer eenvoudige vogelmodellen, de modellen vlogen in de computer op een rij naast elkaar en niet schuin achter elkaar en het computermodel zelf stelde ook niet heel veel voor. Aanhangers van de theorie dat vogels in V-formatie vliegen omdat zo de communicatie binnen de groep beter is wonnen terrein.

Van lieverlee verschenen er ook aerodynamici die meer geavanceerde computermodellen ontwierpen en met nieuwe analyses kwamen. Een zo'n onderzoeker is A. Filippone die zijn theorieën al een paar jaar op internet publiceert (aerodyn.org/Annexes/Birds). Ook Filippones modellen tonen energiebesparing aan, vooral als de vogels in een soort parabool vliegen. Dus eerder een U dan een V. Filippone schaaft zijn theorie voortdurend bij maar laat steeds de foto staan waaruit blijkt dat ganzen niet peinzen over een U. Een V is toch beter, vinden ze.

Dat was ruwweg de stand van drie jaar geleden. Nu is er nieuw nieuws, niet in Science maar in Nature (18 oktober). En niet zo'n rekbare computersimulatie, deze keer, maar het begrijpelijk en eenduidig resultaat van veldmetingen die zó voor de hand liggen dat het een raadsel is waarom ze niet veel eerder zijn gedaan. De Franse onderzoekers Weimerskirch, Martin en Clerquin (en nog een paar) zijn erin geslaagd een groepje bevriende pelikanen uit Senegal op commando in V-vorm achter een motorbootje of ultra licht vliegtuigje te laten vliegen. En daar, als het van pas komt, ook weer mee te laten ophouden. Zij registreerden met behulp van een digitale camera de snelheid van de vleugelslag en hadden de vogels bovendien uitgerust met een electronic heart-rate logger, een apparaatje dat de hartslag vastlegde. Dat zat met plakband vast aan de rugveren.

Simple comme bonjour! Het blijkt dat de gemiddelde hartslag van een solo vliegende pelikaan met 185 slagen per minuut wel 10 procent hoger ligt dan het gemiddelde van de gemiddelde pelikaan die in formatie vliegt. Voor de vleugelslag geldt iets dergelijks, met de aantekening dat de vogel die in de V aan kop vliegt bijna net zo snel klapwiekt als de solopelikaan. Hiermee is de stap naar de geclaimde energiebesparing nog niet automatisch gezet, maar hij ligt wel voor de hand. Het voornaamste voorbehoud dat moet worden gemaakt is dat pelikanen er de eigenaardige gewoonte op nahouden tussen het klapwieken steeds een stukje te zweven.

Van belang is dat dat kunstje met die digitale camera ook is toe te passen op willekeurige ongetrainde vogels die zomaar langs komen vliegen. Het moet een kleine moeite zijn om vast te stellen of de vleugelslag van een grauwe gans in V-formatie anders is dan die van de grauwe gans alleen. En dan AW-idee om eens te onderzoeken of luchteigenschappen als dichtheid en viscositeit van invloed zijn op vliegpatroon en vleugelslag. Je mag toch aannemen dat de opgewekte luchtwervels op 3.000 meter hoogte anders van karakter zijn dan op zeeniveau. Zitten er in de meren op de hoogvlaktes van Bolivia en Peru geen trekeendjes? Vliegen die anders boven de hoge meren dan boven de lage zee?

De trek van de fruitvlieg is zo te zien alweer over zijn hoogtepunt heen. Vorige week waren er in de natte cel van het AW-labo, daar waar ook het organisch afval wordt opgeslagen, nog vele honderden te vinden. Zoveel vliegjes zaten er in kluiten bijeen dat onomstotelijk kwam vast te staan dat de dieren een heel markante geur verspreiden. Gewoonlijk wordt die lucht gemaskeerd door die van het afval waarop zij foerageren. Maar toen dat werd weggehaald bleef de geur hangen.

Het duurde een dag of drie, vier voor de vliegjes begrepen dat het afval niet vanzelf terugkwam. Al die tijd zaten zij, en daar gaat het nu om, bijeen op heel markante plaatsen. Op een uitstekende lijst hier, de steel van een pannetje daar. Precies op de rand van de stalen lampenkap. Nooit zaten zij midden op de lampenkap, midden op de steelpan of midden op de muur. Is dat pleinvrees of wat?