Een experiment

Vier weken had ik geen televisie gezien. De aanval zelf nog wel, en ook wat er de volgende twee dagen was gebeurd, maar daarna was ik terechtgekomen in een buurt die buiten het bereik van het medium ligt. Ze hebben daar natuurlijk wel toestellen, maar die gebruiken ze alleen om naar het voetballen te kijken. Voor het wereldnieuws was ik aangewezen op de websites van dezelfde dag en de kranten van gisteren. Ik dacht dat ik niets had gemist.

Terug naar Amsterdam. De vliegvelden waren weldadig rustig, het leek 1980 wel. De volgende ochtend ging ik naar de redactie. Op de tramhalte werd ik begroet door een in witte jutezakken geklede vrouw van middelbare leefttijd die riep: `Vraide! Vraide!' Ze probeerde me een witte roos te geven. Tien meter verderop zat de vertrouwde bedelaar. Op de hoek van de gracht lag de vertrouwde puinhoop van lege blikjes en bekers om de volle vuilnisbakjes. In de kantoortuin van ons nieuwe onderkomen werd ik hartelijk begroet door het hoofd van de schoonmakers, een zwartgebaarde man uit Pakistan. De collega's druppelden binnen. Hier, dacht ik, is tenminste niets veranderd – afgezien van de witte vrouw dan.

Dezelfde avond toch weer even televisie gekeken, het nieuws met het Drum und Dran. Een deskundige legde aan de hand van kaartjes uit in welke hoofdbuizen van de waterleiding de terrorist zijn spul moet deponeren om het volk buiten gevecht te stellen en waar hij de gasleidingen moet aansteken om de rest in brand te steken. Het deed me denken aan The Anarchist Cookbook, onmisbaar in de jaren zestig. Ik ben mijn exemplaar kwijtgeraakt. Als ik het nog had, zou ik het stiekem verbranden. Nu, na een week, weet ik dat veel mensen hier op de grens van in de war zijn. Veel meer dan toen ik het land verliet.

Dit zijn ernstige tijden. Daar twijfel ik niet aan. Maar uit ervaring weet ik dat er een groot verschil is tussen ernstige tijden met en zonder televisie. Je zou dat, denk ik, wetenschappelijk kunnen bewijzen, met een uniek experiment van mondiale betekenis. (Copyright S.M.).

Vraag de assistentie van de firma Endemol. Sluit een stuk of vijftig mensen op in een stel containers, en doe hetzelfde met nog vijftig. Let er goed op dat de twee groepen van nagenoeg dezelfde samenstelling zijn: een meerderheid van goedgelovigen, moslims, christenen, humanisten. Een paar deskundigen, strategen van Clingendael, ethici, psychologen, columnisten en politici.

De ene groep wordt via de televisie blootgesteld aan het nieuws over een catastrofe. Het is allemaal fictief, virtueel, maar dat weten ze in de container niet. Denk aan het hoorspel The Invasion from Mars, van Orson Welles, dat op 30 oktober 1938 paniek in Californië veroorzaakte.(*)

Deze televisie in de containers beschikt ook over een intern circuit, waardoor de mensen die erin zitten, van tijd tot tijd aan zichzelf worden vertoond, bijvoorbeeld terwijl ze `geruchten uitwisselen'.

De andere groep moet het doen met informatie uit de krant. Ze hebben geen talkshows, ze staan als het zo uitkomt op de hoek van twee containers met elkaar te praten, ruzie te zoeken desnoods.

Ik besef dat dit een ingewikkeld en kostbaar experiment is, dat veel verbeeldingskracht vergt, maar het is te doen. Na een week of vier mogen de twee groepen er weer uit. Bijna zeker weet ik, dat de televisiegroep het einde der tijden ziet naderen en rijp is voor opvang, terwijl de andere wel beseft dat het er niet goed uitziet in de wereld, maar dat dit nog geen reden is om je tot radeloosheid van de wijs te laten brengen.

Het is jammer dat zo'n experiment niet met ratten kan worden gedaan. Ik wou dat ik het tekentalent van Grandville had, de geniale Fransman die ieder mensentype tot zijn dierengedaante kon terugbrengen – of bevorderen, wat je wilt. Een jaar geleden ongeveer is er een prachtige reclame geweest van een of ander Amerikaans adviesbureau. De pagina van de advertentie vertoont de afbeelding van een vierkant doolhof. Het lijkt een beetje op Mondriaans Victory Boogie Woogie. Rechtsonder is de ingang, linksboven de uitgang waar een stuk kaas ligt. Deze rat van de advertentie knaagt zich door alle schotjes heen regelrecht de weg naar het stuk kaas. De andere rat die we ons moeten voorstellen, hij/zij wordt niet afgebeeld raakt in paniek, begint in het wilde weg te bijten en verdwaalt reddeloos in het doolhof. Dat is de televisierat, rijp voor de opvang.

Terwijl ik in dat televisieloze gebied was, werd in Nederland de vijftigste verjaardag van het medium gevierd. De reclame op de buis is later gekomen. Dat is een ander vraagstuk. Moet het gedrag van de mensen die in de reclame optreden, worden uitgelegd als oorzaak, of als symptoom? Na die vier weken viel het me weer op, dat in de `commerciële boodschappen' geen normaal mens voorkomt. Het zijn allemaal zich scheutsgewijs bewegende Sint Vitusdansers, bezeten renners, extatische bekkentrekkers, guitige rakkers, zenuwpezende yuppen, stuiplachende halvegaren. Oorzaak of symptoom? Als het volk zich 365 dagen per jaar aan die vertoning blootstelt, kan het niet zonder gevolgen blijven.

(*) Hadley Cantril, The Invasion from Mars. A study in the psychology of panic. With the complete script of the famous Orson Welles broadcast.