De zo vanzelfsprekende Amerikaanse droom

Rondreizende fotografen waren omstreeks 1900 een bekend verschijnsel. Want ook al heette de foto geen wonder meer, de camera was nog geen gemeengoed. Handige jongens trokken dan ook van dorp naar dorp en fotografeerden voor een habbekrats dat wat gefotografeerd moest worden.

Zo zal het ergens rond die eeuwwisseling ook gegaan zijn bij Ed Behney, veeboer te Fowler, Arkansas. De fotograaf kwam even langs en Behney ging er eens goed voor staan. Ontspannen leunde hij op een stok, de hoed op het achterhoofd geschoven, de hond aan zijn voeten. De fotograaf klom op een schuurtje voor een mooi overzicht over een handvol koeien en een simpel houten huis. Bij het hek deed een knecht zichtbaar zijn best om stil te staan. Het was laat in de middag; de schaduwen waren lang. Rond het huis gaapte een immense leegte die nog eens werd onderstreept door een verre, ragfijne horizon.

Maar hoe evocatief het resultaat ook mocht lijken, het bleef een foto van dertien in een dozijn. Behney noch zijn naamloze fotograaf zal ooit vermoed hebben dat ze nog eens terecht zouden komen in de collectie van de Amerikaanse verzamelaar Stephen White en van daaruit aan de muur van het Van Goghmuseum in Amsterdam, als onderdeel van de tentoonstelling The Photograph and the American Dream.

Zo'n 200 foto's bevat die verzorgde en onderhoudende expositie. Ze zijn gemaakt tussen 1840 en 1940: foto's van gezinnen en huizen, fabrieken en arbeiders; van telegraafpalen en mijnschachten; van de Boulder Dam in aanbouw en de nieuwe hangbrug in Cincinnati; van Mount Rushmore met zijn uitgehakte presidentskoppen; van de honderdjarige Uncle Ben met zijn zevende vrouw en een etalage met nieuwe Grace-Tred schoenen. En stuk voor stuk hebben ze hetzelfde terloopse en anekdotische karakter als de gelegenheidsfoto van Ed Behney.

Zelfs historische momenten hebben in deze expositie iets alledaags: als op 10 mei 1869 bij Golden Spike voor het eerst spoorlijnen van de Oost- en de Westkust aan elkaar worden geknoopt, toont de foto weinig meer dan een rommelige drukte waartussen, inderdaad, links en rechts een stoomlocomotief te ontwaren is.

Met al zijn alledaagsheid is The Photograph and the American Dream beslist geen overzicht van de Amerikaanse fotografie; daarvoor ontbreken de hoogtepunten uit de artistieke fotohistorie van Amerika. Weliswaar bevat de expositie enkele bekende namen (Edward Steichen, Alfred Stieglitz, Margareth Bourke-White), maar hun getoonde werk behoort allerminst tot het beste dat er in de canon aan verbonden is geraakt. Wat echter wel getoond wordt is de verwevenheid van fotografie met de nationale geschiedenis.

Want in geen enkel ander land ter wereld is de fotografie zozeer het medium geworden waarin de nationale geschiedenis en daarmee de nationale identiteit is vastgelegd. Dat is geen wonder: de ontwikkeling van het medium loopt parallel aan de ontwikkeling van de moderne Verenigde Staten van Amerika en de camera, handzaam en snel, was bij uitstek geschikt voor het vastleggen van de industriële en stedelijke groei. En uiteraard voor het vastleggen van het persoonlijke aandeel in die ontwikkeling – want Amerika afficheert zichzelf bij voorkeur als het land van de ongekende mogelijkheden en wie die weet te benutten mag zich voorstaan op zijn succes.

In zes hoofdstukken, beginnend met de immigrantenstromen in het midden van de negentiende eeuw, schetst White met de keuze uit zijn collectie een beeld van het verhaal van Amerika. De foto's waarmee hij dat doet verschillen ondanks de chronologie per hoofdstuk weinig: telkens weer ligt de nadruk op het portretten, werkmanstaferelen, mensen temidden van succesvol have en goed. Toont hij in den beginne een kerk die wordt opgetrokken in één dag, in een volgend chapiter is het Mohall (Noord Dakota) dat aldus het bijschrift in tien maanden uit is gedijd tot een fikse nederzetting of een jonge vrouw die trots poseert voor het zojuist betrokken huis in de suburbs. Je ziet Amerika gaandeweg vorm krijgen op de achtergrond. En hoewel er zo nu en dan iets misgaat (een mijn stort in, telegraafpalen sneuvelen in een ijzelstorm, treinen botsen op elkaar) lijkt dat niet meer dan een voetnoot.

Het heeft iets vanzelfsprekends allemaal, en juist in die (eerder tussen dan in de foto's liggende) vanzelfsprekendheid verschuilt zich de Amerikaanse droom. Het is geen toeval dat nergens in de tentoonstelling duidelijk wordt gemaakt waaruit die Amerikaanse droom nu precies bestaat.

Zoals het evenmin toeval is dat de tentoonstelling, hoewel geconcipieerd ver voor de aanval op het World Trade Centre, besluit met een reeks foto's van de bouw van het Empire State Building in 1930: na het instorten van het WTC is het weer het hoogste gebouw van New York.

Tentoonstelling: De foto en de Amerikaanse Droom (De Stephen White Collection). T/m 6 januari in het Van Goghmuseum, Paulus Potterstraat, Amsterdam. Open: dagelijks 10-18 uur. Catalogus ƒ55.