De bodem van het regeerakkoord

In een pizza-zaak zijn alle pizza-bodems identiek, maar de klant mag kiezen wat daar bovenop wordt geserveerd. Zo ook met de Nederlandse verkiezingsprogramma's. Ambtenaren van het Centraal Planbureau ontwerpen een bodem en daar bovenop kunnen de partijen hun eigen smaak toevoegen. D66 en de PvdA, bijvoorbeeld, willen een klein beetje extra onderwijs en een bescheiden portie extra zorg, maar de VVD denkt eerder aan meer wegenbouw. GroenLinks serveert een rijkere pizza, maar moet dan ook een iets hogere prijs in rekening brengen. Later deze herfst meer over de verschillende programma's; vandaag cijfers over de bodem voor wat betreft onderwijs en zorg. Alles cijfermatig en vergeleken met Paars I en II, zodat de lezer zelf kan oordelen wat de politieke partijen daar nog bij moeten serveren.

In het onderwijs bestaat de bodem van de ambtenaren uit een groei in personeel en materieel van 1,83 procent per jaar over de vier jaar van de volgende kabinetsperiode. Ter vergelijking: tijdens Paars I was dat 3,0 procent en tijdens het huidige kabinet 3,2 procent. Al die cijfers gaan vooral over het aantal mensen dat werkt in de sector onderwijs, want dat moeten er inderdaad elk jaar meer zijn wanneer het aantal leerlingen groeit. Bovendien is er extra personeel nodig in klassen met veel kinderen die thuis weinig of niet Nederlands spreken. Ook de komende vier jaar neemt het aantal leerlingen toe, vooral in het voortgezet onderwijs – en er zouden nog meer leerlingen komen wanneer scholen, ouders en kinderen met succes konden optreden tegen voortijdige schooluitval. Niettemin rekenen de ambtenaren met een groei in het personeel die nauwelijks meer is dan de helft van de vorige twee kabinetten.

Nederland is op dit moment bijzonder zuinig met de uitgaven aan lager en voortgezet onderwijs. De OESO in Parijs heeft daar al eerder kritiek op geuit, want als Nederland evenveel zou uitgeven als de andere landen in Noord-West Europa zouden wij nu per jaar ongeveer 6 miljard gulden meer besteden aan de scholen. De ambtenaren laten het kennelijk over aan de politieke partijen om te beslissen of we die achterstand moeten inlopen.

In de zorgsector stellen de ambtenaren van het CPB voor om de uitgaven te laten stijgen met 3 procent per jaar in de periode 2002-2006. De grondslag van de berekening is anders dan voor het onderwijs, en het cijfer wordt later nog aangepast voor de algemene inflatie, maar niet voor specifieke kosten in de zorg. Het ambtelijke voorstel voor de medische sector in 2002-2006 is lager dan tijdens Paars II maar hoger dan onder Paars I. Over de drie paarse kabinetten zouden dan de uitgaven aan medische zorg (berekend op deze vreemde, ambtelijke manier) in totaal stijgen met 2,7 procent per jaar, terwijl de economie als geheel kan groeien met 2,8 procent. Dat betekent dat aan het eind van het volgende kabinet Nederland naar verhouding tot de economie iets minder besteedt aan medische zorg dan in 1994. De ambtenaren van het CPB waarschuwen dan ook dat hun bodem geen ruimte biedt voor het bestrijden van de wachtlijsten in de zorg: ,,Er is geen rekening gehouden met een inhaalslag om bestaande wachtlijsten weg te werken.'' Politieke partijen die de bodem accepteren, zoals de VVD, moeten dus radicale ideeën hebben om artsen, verplegers en thuiszorg-medewerkers direct na de verkiezing harder, efficiënter, én dus goedkoper te laten werken, want anders blijven de wachtlijsten nog zeker vier jaar bestaan.

De grote politieke partijen blijven allemaal heel dicht bij de ambtelijke bodem. Dat was in 1998 en 1994 ook zo. In feite wordt in Nederland dus een groot deel van het regeerakkoord al geschreven lang voordat de campagne begint, namelijk wanneer de ambtenaren die bodem vaststellen. Een voorbeeld: de VVD wilde in 1998 de zorgsector krimpen in verhouding tot de economie, D66 stelde voor om de zorgsector gelijke tred te laten houden met de economie en de PvdA hoopte de medische sector een fractie sneller te laten groeien dan de economie. Allemaal minuscule verschillen in de orde van een procent per jaar. Het regeerakkoord van Paars II koos voor de middenweg tusen de partijen en kwam voor de medische sector precies uit op wat de ambtenaren allang voor de verkiezing als bodem hadden voorgesteld.

De ambtenaren geven nu toe dat de bodem in 1998 was ingegeven door financiële wensen en niets te maken had met de reële behoefte aan medische zorg. Ze schrijven dat de vorige keer hun bodem een financieel `taakstellend' karakter droeg, maar dat ze nu de bodem voor 2006 naar eer en geweten hebben uitgerekend. Politieke partijen moeten beoordelen of dat genoeg vertrouwen biedt. Het belangrijkste alternatief zou zijn om de prestaties in de zorg te definiëren in het regeerakkoord, en om daarna per jaar variabele budgetten beschikbaar te stellen die kennelijk nodig zijn voor die prestaties. Dat maakt het leven moeilijker voor de minister van Financiën die moet leven met wat meer onzekerheid, maar comfortabeler voor dokters en patiënten die dan juist beter weten waar ze aan toe zijn.

Vervangen we de Zalm-norm in de medische sector door een afspraak over de prestaties, dan slaat de onzekerheid neer in de precieze daling van de staatsschuld. Medische sector extra duur: schuld daalt iets langzamer, en andersom. Maar wat is de staatsschuld anders dan een wachtlijst voor toekomstige belastingen? Politici moeten in hun zorg-program dus ook kiezen tussen zo'n wachtlijst in de staatsschuld of voor continuering van de wachtlijsten in de zorg. Binnenkort meer over hun keuzes.