Basisvorming is exponent van failliet beleid

Dat politici nu met genoegen de basisvorming ten grave dragen, mag er niet toe leiden dat de overheid haar verantwoordelijkheid voor het onderwijs ontloopt, meent Ton van Haperen.

Het is al jaren bekend: de basisvorming is mislukt. De vernieuwing van de onderbouw van het voortgezet onderwijs heeft haar ambitieuze doelstellingen nooit bereikt. Doordat het programma overladen en versnipperd is, moet zelfs gevreesd worden voor achteruitgang in kennis en vaardigheid. Vandaar dat de voorstellen tot wijziging van de onderwijsraad welkom zijn.

Terugbrengen van het verplichte aanbod tot een kern, integratie van een aantal kleine vakken en onderscheid in leerniveaus lijken een verbetering. Politici reageren in ieder geval enthousiast, wat doet vermoeden dat het voorstel beleid wordt.

Het is wel opvallend dat de oorspronkelijke bedoelingen van de basisvorming amper nog ter sprake komen. Het lot van het kansarme kind spreekt kennelijk niet meer tot de verbeelding. Ook het onderwijsveld lijkt niet geïnteresseerd. Schooldirecties koesteren hun nieuwe beleidsruimte en helpen volksvertegenwoordigers dit vlekje weg te werken.

Het begon in de jaren zeventig. Maatschappelijke ongelijkheid was toen een serieus politiek onderwerp. Ook het onderwijs was schuldig; het reproduceerde de klassenverhoudingen en zorgde ervoor dat kinderen die voor een dubbeltje geboren waren, nooit een kwartje werden. Ter bestrijding van dit onrecht ontwikkelde sociaal-democraten het middenschoolidee. Schaf de schooltypen af en plaats kinderen, net als in het basisonderwijs, in heterogene groepen. De zwakken leren van de sterken en rond hun zestiende kunnen ze een definitieve keuze maken. De middenschool ging ten onder aan oeverloze discussies; het was haalbaarheid tegen een betere wereld.

Beleidsmakers hielden het idee echter in pijplijn, wat begin jaren negentig resulteerde in de basisvorming. Schooltypen bleven gehandhaafd, maar er kwam wel een programma van vijftien vakken met centraal vastgestelde kerndoelen voor alle leerlingen in Nederland. Achterliggende doelstellingen waren: opkrikken van het basisniveau, modernisering van de onderwijsinhoud en uitstel van schoolkeuze.

Helaas kwam de daadwerkelijke invoering op het verkeerde moment. De tijdgeest was omgeslagen; beheersing van de overheidsfinanciën had bestrijding van maatschappelijke onrecht uit de politieke arena verdreven. Scholen kregen te maken met zuinige budgettering en overleven wint dan van loyaal uitvoeren van onderwijsvernieuwing. Schoolleiders en leraren raakten gevangen in een door schaalvergroting veroorzaakte organisatorische stuip. Iets vaags als uitstel van schoolkeuze verdween uit het zicht.

Sterker, er ontstond een tegengestelde ontwikkeling: de onderbouw homogeniseerde na de eerste brugklas. Met een groep van ongeveer dertig leerlingen is vroege selectie een uitkomst. Het maakt het werk makkelijker. Bovendien moedigden mondige ouders deze ontwikkeling aan. Om aan hun wensen tegemoet te komen ontstonden vwo-plus-programma's, met daarin extra aandacht voor de betere leerling.

Vrijblijvende invoering van de vernieuwing zorgde ervoor dat van de oorspronkelijke bedoelingen niks terechtkwam. Ook het hoger basisniveau, nodig voor inpassing van jonge mensen in onze moderne informatiesamenleving, kwam niet van de grond. De poging om middels verplichte uniforme toetsing grip op dit proces te krijgen mislukte jammerlijk. De vwo-leerling kon de toets zonder lesactiviteit maken, terwijl corrigeren op het vbo een nachtmerrie was. Nergens bleek uit dat kinderen iets leerden. De afschaffing van uniforme toetsing was een beleidsnederlaag waarachter een drama schuilgaat. Basisvorming zadelt leraren met onmogelijke opdrachten op. Nieuwe vakken als techniek, verzorging en informatica slaan niet aan op havo/vwo. Veel erger is de situatie op het vbo, waar leerlingen een overdosis aan algemene vorming door de strot geduwd kregen, terwijl ze juist affiniteit hebben met praktijkvakken. Ga er als leraar maar aan staan, in een samenleving waar onderhandelen, gedogen en gezellig doen zo'n beetje de basis van het waarden en normen patroon vormen.

Organisatorisch heeft de basisvorming amper invloed op scholen, maar dan nog kan het onderwijs moderniseren. De inspectie zocht dit uit en schrok. Individualisering van het leertraject, actief leren, minder aandacht voor kennis en meer voor kennisverwerving, vaardigheidstraining, vakkenintegratie, niemand deed er iets aan. Over leraren economie valt in het inspectierapport te lezen dat ze saai, klassikaal en methodegebonden lesgeven, in een weinig inspirerende omgeving. Een constatering waar weinig tegen in te brengen valt. Maar wat willen die inspecteurs dan met volle klassen, één jaar twee lessen per week en een dik boek dat uit moet?

De voorstellen van de onderwijsraad kunnen een einde maken aan deze misère. Keuzevrijheid verlost scholen van zinloze vakken en onmogelijke opdrachten. Vakkenintegratie geeft de leraar en zijn klas meer lessen, waardoor een begin kan worden gemaakt met vaardighedenonderwijs.

De andere kant van het verhaal is dat met het verdwijnen van de basisvorming de schoolkeuze definitief in groep acht plaatsvindt en dat is erg jong. De staatssecretaris stelt daar tegenover dat wisseling van schooltype mogelijk blijft. Maar de erkenning van drie leerniveaus creëert aansluitingsproblemen en maakt overstappen van bijvoorbeeld twee mavo naar drie havo moeilijker.

Kwalijker is dat de basisvorming geen incident is. De Tweede Fase leidt aan precies hetzelfde euvel. Scholen voeren een overladen en versnipperd programma beleidsneutraal in. Daardoor volgen leerlingen overwegend klassikaal onderwijs, terwijl een studiehuis beloofd is. De vijftien algemeen vormende vakken spreken niet aan bij jonge mensen die het druk hebben en geld verdienen erg belangrijk vinden. Op school hebben ze respect voor moeilijke dingen, verbonden met hun vervolgopleiding. Die komen ze weinig tegen. Ook deze onderwijsvernieuwing maakt het werk van de leraar moeilijk en holt de kwaliteit uit. Examens worden makkelijker, de scores lager.

Het wordt tijd dat verantwoordelijke politici erkennen dat tien jaar onderwijsbeleid een spoor van vernieling heeft achtergelaten. Vernieuwingen als basisvorming en studiehuis falen. De overheid zet het proces in werking, maar grijpt amper in als het misgaat. Niet waar te maken pretenties leiden bij idealisten tot frustratie en voeden cynisme. Leraren vluchten van de klas naar het middenkader. Directies springen daarop in met human resource management. Ondertussen worden scholen groter, betalen ouders meer dan ooit, terwijl ze minder terugkrijgen. Verloedering van onderwijscultuur veroorzaakt een lerarentekort. Met name scholen in de grote steden kunnen amper geschikt personeel vinden.

De onderwijsraad werkt één vlekje weg, maar de meeste viezigheid blijft liggen. Met name kinderen uit lagere milieus kunnen zich in deze onduidelijke omgeving moeilijk ontwikkelen. Ervaring leert dat achterstandenbeleid niet zonder overheid kan. Politici ontkennen echter hun verantwoordelijkheid en verschuilen zich achter een nieuwe trend: beleidsvrijheid van scholen. Dat is hun volgende zeperd.

Ton van Haperen is leraar en lerarenopleider.