Zwijgen over de lege plekken in de klas

Joodse, middelbare scholieren mochten in de oorlog alleen nog naar een joods lyceum. Ondanks het verborgen verdriet, bewaart een aantal oud-leerlingen goede herinneringen aan de lessen. Hun getuigenissen werden tot in detail gecompleteerd met archiefmateriaal, dagboeken en eerdere publicaties.

Het moest vooral een normale school zijn. Het Joods Lyceum, een van de scholen die in 1941 werden opgericht nadat de joodse kinderen de toegang tot het openbaar en christelijk onderwijs was ontzegd op bevel van de Duitsers, probeerde zo lang mogelijk de illusie te bewaren dat het hier om een heel gewone school ging.

Dienke Hondius' Absent. Herinneringen aan het Joods Lyceum Amsterdam 1941- 1943 laat niet alleen zien dat dit een in vrijwel alle opzichten abnormale school was, maar ook dat dit door leraren en leerlingen zo werd gezien. De leerlingen waren afkomstig van de twee stedelijke gymnasia, het Barlaeus en het Vossius, en het Amsterdams Lyceum. Deze laatste school had als enige aandacht besteed aan het vertrek van de joodse leerlingen: rector Gunning had met hen een schoolreisje gemaakt.

De joodse leraren waren al eerder zonder veel protest van de schoolleidingen ontslagen. Op het Vossius Gymnasium organiseerden twee leerlingen uit de vijfde klas, Lucas van der Land en Bart Joost Romijn, uit protest een scholierenstaking, waaraan alle leerlingen uit de hoogste klassen, behalve de NSB'ers, deelnamen.

De onverschilligheid van de scholen ten aanzien van hun joodse leraren en leerlingen werd alleen overtroffen door de afdeling Onderwijs van de gemeente Amsterdam, die nog voorafgaand aan de Duitse maatregel op eigen initiatief een lijst had gemaakt van alle joodse leerlingen in het lager en middelbaar onderwijs. De segregatie verliep dan ook vlekkeloos, zonder dat één Duitser zich ermee bemoeide, zo stelt Dienke Hondius droogjes vast.

Vanaf het tweede schooljaar in 1942 vielen er vrijwel dagelijks meer gaten in elke klas doordat kinderen waren gedeporteerd of ondergedoken. Er werd niet of nauwelijks over gesproken en trouw noteerden de leraren de absenten in het klassenboek, zoals oud-leraar Jacques Presser reeds beschreef in zijn De nacht der Girondijnen. De lege plekken hebben ook de goede herinneringen van veel oud-leerlingen aan het Joods Lyceum gekleurd door verdriet. Het is dan ook voordehandliggend, aldus Hondius, dat er geen reünie plaatshad.

Met het verschijnen van dit boek is daar verandering in gekomen. Voorafgaand aan de presentatie van het boek, op 13 september van dit jaar, vond wèl een reünie plaats, waarop ongeveer de helft van de honderdtien nog levende leerlingen aanwezig was. Oud-leerling en mede-organisator Salvador Bloemgarten noemt het `meer een herdenking dan een reünie'. Voor elke klasgenoot die men terugzag was er minstens een van wie iedereen wist dat deze niet was `teruggekomen', zoals dat nog steeds eufemistisch heet onder overlevenden. Van de drie nog levende leraren was alleen Sem Dresden (wegens een ziekenhuisopname) afwezig. De twee aanwezige leraren hadden beiden klassieke talen onderwezen op het Joods Lyceum: Sal Breemer en Jo Michman (vroeger Melkman), die daarvoor speciaal uit Israël was overgekomen.

Opgehaald

Hondius beschrijft aan de hand van interviews met oud-leerlingen en oud-leraren, van archiefmateriaal, dagboeken en gepubliceerde herinneringen (zoals die van Jacques Presser in De nacht der Girondijnen) gedetailleerd de sfeer op school, het lesprogramma en de vele activiteiten die buiten het curriculum plaatsvonden, voornamelijk, zo krijgt men de indruk, om de leerlingen zo veel mogelijk te beschermen tegen de confrontatie met de realiteit buiten de muren van de school. Oud-leerling Simon Vega vertelt aan Dienke Hondius over de `Cursus romantiek' die hem zijn hele leven is bijgebleven: `Voor mij was dat tekenend voor de hele sfeer. [...] Door die school hadden we een culturele gebondenheid. Die tilde ons uit boven de dagelijkse beslommeringen van ,,die en die is opgehaald''.'

Om een vergelijkbare reden, zo veronderstelt Dienke Hondius, halen de oud-leerlingen bij voorkeur goede herinneringen op. Maar tijdens het maken van de interviews voor het boek betrapte zij ook zichzelf, zo vertelt zij in het voorwoord, op `het op afstand houden van de dood', door haar vragen zo veel mogelijk te beperken tot de gang van zaken op school en de activiteiten daar omheen en de relaties met andere leerlingen en leraren.

Maar door het zwijgen rond de pijnlijke vragen benadrukt het boek juist de niet te verdragen tegenstelling tussen de liefdevolle aandacht die aan de reguliere lessen en de extra culturele programma's werd besteed, de hoge kwaliteit van het onderwijs, de individuele behandeling van de leerlingen en de wereld er omheen die hen wilde verdelgen als ongedierte.

Miep Gompes-Lobatto, de oud-leerlinge van het Joods Lyceum die Dienke Hondius op het idee bracht om dit boek te schrijven, vertelt hoe de legendarische Jacques Presser in staat was zijn verdriet in stilte te delen met zijn leerlingen door zijn gevoelens van verslagenheid niet te verbergen. Het gebeurde zelfs dat hij zo door emoties werd overmand dat hij de klas uit moest lopen. ,,Die pijn,'' zegt Miep Gompes tegen Dienke Hondius, ,,nu jij me ondervraagt voel ik eigenlijk hoe we allemaal de pijn willen wegstoppen. Dat onuitgesproken maar toch zo voelbare verdriet, dat zo'n klas op dat moment eigenlijk in stilte heeft aangevoeld, dát is eigenlijk wat er kapot gemaakt is.''

De afspraak onder de leraren was om de leerlingen zo veel mogelijk moed in te spreken. Zo overlegden zij op de ochtend na de invoering van de ster hoe zij dit aan de leerlingen moesten presenteren. Jacques Presser vertelt dat uiteindelijk de richtlijn werd aanvaard om de leerlingen `om te praten' dat zij de ster `waarmee de Duitsers ons wilden vernederen, als een ereteken moesten dragen'.

Veel kinderen op het Joods Lyceum kwamen uit geassimileerde gezinnen (,,wij waren ontspannen geassimileerd,'' zegt Salvador Bloemgarten). Dat botste nogal eens met de felle zionistische overtuiging van sommige leraren. Er waren leerlingen die het gevoel kregen dat deze leraren misbruik maakten van de omstandigheden om hun een zionistische visie op te dringen. Dit verwijt richtte zich ook tegen David Cohen, voorzitter van de Joodse Raad en overtuigd zionist, die zich intensief met de school, de benoeming van leraren en het curriculum bemoeide. Salvador Bloemgarten herinnert zich met ergernis dat hij `een lezing moest aanhoren' van David Cohen: ,,Volgens mij had Cohen niet het recht om ongevraagd zionistische propaganda te maken voor leerlingen die niet uit vrije wil een joodse school bezochten.''

Ook de `beschermende' functie van de school werd niet door alle leerlingen gewaardeerd. De school was volgens hen te volgzaam en te onkritisch. Eén van de leerlingen wijt deze gezagsgetrouwheid aan angst van de leraren en van rector Elte om hun `Sperr' (voorlopige vrijwaring van deportatie, mr) te verliezen. Hier, als bij de overige interviews, blijft de auteur op uiterst correcte wijze op de achtergrond. Zij zet de vaak tegenstrijdige meningen van de leerlingen over de school zonder commentaar en met respect voor ieders opvattingen en gevoelens op een rij. Daardoor ontstaat bij de lezer een genuanceerd beeld van zowel de school als van de uiterst complexe emoties van deze middelbare scholieren die in een situatie terechtkwamen waar zij niet om hadden gevraagd en waar zij uiteraard ook niet tegen waren opgewassen.

Isoleren

In haar conclusies profileert Dienke Hondius zich daarentegen sterk, door de terechte nadruk die zij legt op de oorzaak van de situatie: de wens van de Duitsers om de joden, in dit geval joodse kinderen, volledig te isoleren van de rest van de bevolking. Tevens benadrukt zij de geruisloosheid waarmee deze maatregel werd doorgevoerd, de vrijwel volledige afwezigheid van enig protest van de scholen, de niet-joodse ouders en leerlingen. Dat ondanks deze opgelegde situatie, die voor veel kinderen uit geassimileerde joodse gezinnen ongewoon was, veel leerlingen goede herinneringen hebben aan in elk geval het eerste schooljaar (waarin de deportaties nog niet waren begonnen), is een groot compliment aan de leraren en de schoolleiding.

Dienke Hondius: Absent. Herinneringen aan het Joods Lyceum Amsterdam 1941-1943. Vassallucci, 319 blz. ƒ49,58