Vijf carillons maar liefst!

De Nederlandse muziekgeschiedenis heeft een povere naam. Het steile Holland zou niet geschikt zijn voor iets frivools als muziek. Een imposant nieuw overzichtswerk ondermijnt vooroordelen.

De aanval is ingezet op het merkwaardig negatieve zelfbeeld dat muzikaal Nederland beheerst. In Utrecht zijn onlangs twee nieuwe hoogleraren in de Nederlandse musicologie benoemd met uitgesproken positieve ideeën over het belang van de Nederlandse muziek. Emile Wennekes doceert Nederlandse muziek na 1600. Tot zijn ontzetting heeft hij inmiddels bemerkt dat zelfs op de universiteit twijfels bestaan over het belang van zijn vakgebied – er bestaan immers geen Nederlandse componisten op het niveau van Mozart en Beethoven? Louis Grijp, zelf actief als musicus en muziekonderzoeker, wordt bijzonder hoogleraar Nederlandse liedcultuur in heden en verleden.

Grijp is ook de hoofdredacteur van Een muziekgeschiedenis der Nederlanden, waarvan Wennekes een van de redacteuren is. Een muziekgeschiedenis der Nederlanden is een omvangrijk en opmerkelijk boek. Meer dan honderd auteurs rekenen in 126 hoofdstukken af met het idee dat Nederland geen muziekhistorie van belang heeft. Zij schetsen juist een onorthodox beeld van 2300 jaar muziekcultuur in de Nederlanden, noord èn zuid, klassiek èn populair.

Dit is een nieuw soort muziekgeschiedenis, fraai geïllustreerd, eigentijds van toon en typerend voor een frisse nieuwe eeuw. Het karakter is ruimhartig: weg met de hokjesgeest en de elitaire hiërarchie tussen `hoge' en `lage' cultuur. Het gaat hier niet meer, zoals in de standaardwerken van Eduard Reeser en Leo Samama, om de Nederlandse componisten, en dan altijd de `klassieke' of de `eigentijdse' componisten. Voorop staat het veelzijdige geheel van het Nederlands-Vlaamse muziekleven, inclusief rock, pop, jazz en rap.

Het enthousiasmerende van Een muziekgeschiedenis der Nederlanden schuilt ook in de opzet. Een zó dik boek van één auteur maakt al snel onderscheid tussen belangrijke en minder belangrijke zaken. Maar hier zijn meer dan honderd auteurs, die hun onderwerp goed kennen en dat trots beargumenteerd in de lucht steken. Het is ondoenlijk om dat alles samen te vatten of zelfs maar aan te duiden, terwijl ook nog niet eens álles er in staat. Zelfs niet dat Malando (Arie Maasland) een wereldhit had met Olé guapa. Of dat het KNMI ooit het massale gedans op Pinkpop, het oudste popfestival ter wereld, registreerde als een aardbeving.

Johnny Jordaan

Alles in dit boek is wetenschappelijk verantwoord, maar notenvoorbeelden ontbreken. Dat verhoogt de toegankelijkheid voor een groot publiek. Veel muziek is wel te beluisteren via een inventief geprogrammeerde cd-rom, waarbij men de noten met de muziek kan meelezen. Zoals bij De parel van de Jordaan, een lied over de Westertoren waarmee Johnny Jordaan in 1955 in het Amsterdamse Krasnapolsky een zangwedstrijd won. Aansprekend voor het Amsterdamse publiek èn musicologisch bijzonder was het virtuoze `kapsonesfluitje'.

Muziek in de Lage Landen begon waarschijnlijk ook met fluitmuziek. Die werd gespeeld door een terpbewoner die rond 300 voor Chr. een fluit maakte van het holle scheenbeen van een schaap. Dat oudste Nederlandse muziekinstrument werd in 1981 teruggevonden in het Friese Kimswerd. Elders zijn er nog zo'n 150 gelijksoortige fluiten opgegraven, van wat recentere datum. De Friese fluitist uit Kimswerd kan moeiteloos worden betiteld als `de Nederlandse Orfeus'. Zijn van God gegeven natuurlijke instrument was immers onvergankelijk. In de achtste eeuw na Chr. leefde de blinde bard Bernlef, afkomstig uit het Friese Holwerd. Hij zong over de daden van oude koningen tot hij bij zijn bekering tot het christendom zijn gezichtsvermogen herwon. Voortaan zong hij alleen nog psalmen en bijbelse teksten.

De meer traditioneel gedocumenteerde muziekhistorie vindt zijn oorsprong in de zuidelijke Nederlanden rond 900 na Christus, toen de monnik Hucbald probeerde de muzieknotatie te verbeteren. De Zuid-Nederlandse muziekgeschiedenis zet zich voort via de Brabantse minnezanger Hendrik van Veldeke, de mystica Hadewijch en de Vlaamse polyfonie tot Jacques Brel, Jean Toots Thielemans en Raymond van het Groenewoud. In het noorden wordt de muziekhistorie even onconventioneel behandeld: er is het paasspel in de Maastrichtse Onze Lieve Vrouwekerk in 1201, de feestavond die de 19-jarige Jan van Blois in 1361 bijwoonde in het vrouwenklooster van Rijnsburg. Natuurlijk volgen Sweelinck en de triomfen van de Nederlandse orgelbouw en de glorie van het Amsterdamse Concertgebouw. Maar het gaat ook over Golden Earring, de Nederlandse musical, Willem Breuker, Candy Dulfer en Louis Andriessen. Hij is onder andere met De Staat en muziektheaterstukken als Rosa en Writing to Vermeer wel degelijk internationaal beroemd. Andriessen heeft veel buitenlandse leerlingen en hij is in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden de meest genoemde componist. De cd-rom somt in totaal 1.100 componisten op.

Waarom ondanks zo'n rijke historie dan toch het gebruikelijke dédain voor het Nederlandse muziekleven? Voor tal van Nederlanders wordt het beeld bepaald door de groene bordjes met vergulde componistennamen in het Amsterdamse Concertgebouw. De Grote Zaal is een Hall of Fame die met 46 componisten uit zes eeuwen zijn gelijke niet heeft. De topcomponisten staan helemaal bovenaan de zaalmuren vermeld: Beethoven, Mozart, Bach, Haydn, Schubert, maar ook Schuijt, Wanning en Obrecht. Die drie Nederlanders zijn bekender door de naar hen genoemde straten dan door hun muziek.

Nieuwerwetsche muziek

Op het balkon staan Mahler, Bruckner, Strawinsky, Ravel, Strauss, Debussy. Tussen hen vinden we Nederlandse componisten: Wagenaar, Dopper, Diepenbrock, Röntgen, Pijper en Zweers. Niet alleen voor vrijwel alle buitenlands musici die optreden in het Concertgebouw, maar ook voor de meeste concertgangers zijn ze onbekend. Hun muziek is in het Concertgebouw zelden te horen en heeft nauwelijks status. Nadat koningin Wilhelmina in 1922 een Mengelbergconcert had bijgewoond met de wereldpremière van de Tweede symfonie van Willem Pijper, schreef ze haar moeder Emma: ,,Ik had geen last van het concert, omdat ik watten in m'n oren gestopt had; maar anderen zeggen dat er veel lawaai was en het nieuwerwetsche muziek was.''

Het overdreven eerbetoon op het balkon van het Concertgebouw heeft zelfs een paradoxaal negatief effect: het ridiculiseert een halve eeuw Nederlands componeren van 1890 tot 1940. Want iedereen, of men nu ooit hun muziek heeft gehoord of niet, kan weten dat Wagenaar, Diepenbrock en Pijper niet de Nederlandse equivalenten zijn van Mahler, Strauss, Bartók, Ravel en Strawinsky.

Zo wordt de concertbezoeker bij elk concert weer gesterkt in het treurige clichébeeld van muzikaal Nederland. Het amuzische, zuinige en calvinistische Holland, dat géén uitbundig hofleven kende, tot voor kort géén operatheater had en dat ook géén componisten van internationale importantie voortbracht, zelfs niet van nationaal belang. Het enige dat in Nederland kan bogen op wereldroem, zo lijkt het, zijn datzelfde Concertgebouw met zijn fabuleuze akoestiek en het even vermaarde Koninklijk Concertgebouworkest met zijn wereldrecords in het spelen van Bruckner en Mahler.

Maar in feite hebben de Nederlanden al eeuwenlang in tal van opzichten een muziekleven, dat vaak bijzonderder, interessanter en eigenzinniger is dan dat in andere landen. Er zijn legio voorbeelden. De Zuid-Nederlander Giaches de Wert legde rond 1590 als kapelmeester in Mantua bij zijn jonge orkestlid Monteverdi de basis voor diens vernieuwende declamatorische zangstijl. Sinds de zeventiende eeuw is Amsterdam met zijn vijf carillons uniek in de wereld: de vrolijkste stad op aarde met zóveel gratis muziek op straat. En in 1902 vond in ons land de geruchtmakende `Graalsroof' plaats. Willem Mengelberg dirigeerde Wagners opera Parsifal, terwijl het werk alleen in Bayreuth compleet mocht worden uitgevoerd.

Hier liepen de Nederlanden muzikaal voorop. En men kan ook heel goed beweren dat opera in het steile Holland een historie heeft die maar enkele jaren korter is dan in Italië. En dat die Hollandse vorm van opera zelfs authentieker is dan de Italiaanse. Bovendien kunnen we op de Nachtwacht, het beroemdste schilderij van de grootste Nederlandse schilder, de enscenering zien van de openingsscène van de belangrijkste Nederlandse `opera', de Gijsbrecht van Vondel. Het werk werd tussen 1638 en 1968 jaarlijks uitgevoerd in Amsterdam. Welk ander land kan bogen op zo'n 330-jarige traditie?

Zó verteld, is misschien nog niet helder wat hier op het spel staat. Maar als we een wat vrijmoedig gebruik maken van de traditionele terminologie en wat minder benepen naar de officiële muziekgeschiedenis kijken, licht plotseling een glorieus Nederlands kunstverleden op. Dan is het zelfs de vraag waarom het zeventiende-eeuwse Nederlandse muziektheater niet in elk operaboek wordt behandeld. En natuurlijk ook waarom we zelf nooit goed in de gaten hadden dat Nederland met zoveel succes meedeed in de voorhoede van de Renaissance.

De Italianen die tijdens de Renaissance het antieke Griekse drama wilden doen herleven meenden ten onrechte dat het in zijn geheel werd gezongen. Daarom componeerde Jacopo Peri in 1598 in Florence Dafne als een geheel gezongen opera. De Italiaanse opera was daarmee wel een nieuwe kunstvorm, maar min of meer per ongeluk, gebaseerd op een misverstand. Peri wilde helemaal niets nieuws uitvinden, maar juist iets ouds reconstrueren.

Herderspel

De Amsterdamse burgemeesterszoon Pieter Cornelisz. Hooft, die Florence in 1600 bezocht, begreep veel beter dan Peri hoe het antieke Griekse drama in elkaar stak. Terug in Amsterdam schreef hij in 1605 Granida. Het is een herderspel dat niet geheel wordt gezongen, maar ook gesproken teksten heeft, net als Die Zauberföte van Mozart. Granida bestaat voor bijna een kwart uit koren en aria's voor de beide hoofdrolspelers. Hoofts zangspel, dat veel dichterbij het antieke voorbeeld bleef dan de Italiaanse opera, werd gezongen op bestaande muziek en was bij het Hollandse publiek bijzonder populair.

Joost van den Vondel, met wiens Gijsbrecht van Aemstel in 1638 de nieuwe Amsterdamse Schouwburg van Jacob van Campen werd geopend, schreef een nog veel stijlzuiverder neo-Griekse tragedie met reien, de gezongen koren bij de oude Grieken. Vondel beschouwde zich zelfs als een Hollandse Homerus. Zijn Gijsbrecht is de Amsterdamse versie van de val van Troje: de val van de stad Amsterdam, die in de Gouden Eeuw glorieus zal herrijzen.

Er is alle reden om de Gijsbrecht van Aemstel niet alleen te typeren als een vorm van `Hollandse classicistische opera'. Terwijl de Italiaanse opera tot stand kwam op initiatief van een componist, ligt bij de `Hollandse classicistische opera' het primaat bij de tekstdichter, die gebruik maakt van bestaande muziek. Waar het operaland Italië prat kan gaan op Monteverdi, kan het muziektheaterland Nederland trots zijn op Vondel.

Zo'n brede en onbekrompen integrale kijk op de historie van het Nederlandse culturele en muzikale leven verheft die tot internationaal niveau. Maar dan moet men wel het unieke en het bijzondere van het muziekleven in de Lage Landen willen zien. Een Mozart heeft Nederland inderdaad niet voortgebracht, maar het wonderkind Mozart trad wel op aan het stadhouderlijke hof èn tijdens openbare concerten in Den Haag en Amsterdam. En toen hij hier doodziek werd, was de lijfarts van de Oranjes zijn levensreddende geneesheer. De mondiale muziekwereld staat zo bezien bij Nederland in het krijt.

Er is in Een muziekgeschiedenis der Nederlanden nog één belangrijke hoofdlijn te trekken. Anders dan in het buitenland, waar het culturele leven zich vroeger veelal afspeelde voor de politieke elite aan het hof van rijke absolutistische koningen, was er in de Nederlanden juist sprake van een brede burgerlijke muziekbeoefening. Er werd op amateurische wijze zelf muziek geschreven of men speelde en zong muziek van buitenlandse componisten, die zich soms in ons land vestigden, zoals Locatelli.

Aanvankelijk bloeiden dicht- en muziekkunst in de zeventiende en achttiende eeuw het meest in de regentenstand – de Muiderkring van Hooft is het beroemdste voorbeeld. De Hollandse `uomo universale' Constantijn Huygens – staatsman, geleerde, dichter, toneelschrijver – componeerde zijn eigen liedteksten. Unico graaf Wilhelm van Wassenaer schreef anoniem de VI Concerti armonici (1740), meer dan twee eeuwen lang aangezien voor werk van de beroemde Pergolesi. Ook edelvrouwen componeerden: barones Josina van Boetzelaer-Van Aerssen en barones Van Tuyll van Serooskerken, als schrijfster bekend als Belle van Zuylen.

In de burgerlijke negentiende eeuw verbreedde zich dat muziekleven onder andere lagen van de bevolking. In Hildebrands Camera Obscura (1840) lezen we in het verhaal De familie Kegge hoe dochter Henriette piano speelde op een concert van Melodia, waar ook `natuurlijk de zooveelste van Beethoven' klonk. `Kijk hier, ze gooit haar armen over elkaar, of `t zoo niets was. En ze slaat er goed op, ook!' Na afloop was er voor de amateurpianiste `daverend handgeklap'.

Paradiso

Pas 44 jaar later bevond Brahms de kwaliteit van het dilettantistische musiceren in het gebouw van de Vrije Gemeente (de huidige poptempel Paradiso) van te gering niveau. `Naar Amsterdam kom ik alleen nog terug om goed te eten en te drinken', zwoer de Weense componist bij zijn vertrek op het Centraal Station. Het particulier initiatief in Amsterdam organiseerde meteen een radicale verbetering. In 1888 werd het Concertgebouw geopend en het professionele Concertgebouworkest opgericht, pas na enkele decennia door de overheid gesubsidieerd als een essentieel cultuurgoed.

Een eeuw later gebeurde hetzelfde met pop en jazz, ook veelal ontstaan uit het amateurisme. Pop en jazz zijn voor een deel opgenomen in het officiële kunstleven en vormen keurige studierichtingen op conservatoria en de Tilburgse Popacademie. Er zijn subsidies voor jazz en pop, er is een Popinstituut en het ministerie van OCW stimuleert sinds kort de export van Nederlandse popmuziek naar Duitsland. Alleen de musical, in het Nederlands uitgevonden door Annie M.G. Schmidt, gedijt nog volledig in het vrije, commerciële circuit.

Kenmerkend voor het Nederlandse muziekleven is al eeuwen een open en weinig vooringenomen sfeer. Daarin weerspiegelen zich de internationale contacten die ons handelsland had en heeft. Zó bezien is het juist bijzonder dat zoveel buitenlandse componistennamen prijken in het Concertgebouw. Muziek werd geïmporteerd – de Matthäus-traditie van de Nederlandse amateurkoren is uniek. Maar muziek werd ook geëxporteerd. Nederlandse operagezelschappen traden in de achttiende eeuw op in Zweden, de Wagnervereeniging gaf uitvoeringen in Londen en Parijs. Het Koninklijk Concertgebouworkest geldt als `de culturele ambassadeur' van ons land.

`Typisch Nederlandse muziek' bestaat niet, behalve het Wilhelmus en de Piet Hein-rapsodie, wel een typisch Nederlands rijk gevarieerd muziekleven.

Louis Peter Grijp (hoofdred.): Een muziekgeschiedenis der Nederlanden. Geïll. + cd-rom. Amsterdam University Press/ Salomé, 916 blz. ƒ125,– (na 1 januari 2002 ƒ149,–)