Topzwaar

De Raad voor Cultuur vreest te worden gemarginaliseerd, nu staatssecretaris Van der Ploeg (Cultuur) voorstelt om het aantal raadsleden terug te brengen van 25 naar 15. De Raad vindt die vermindering met tien leden `onhaalbaar en volstrekt willekeurig'. Maar zeven leden kunnen best worden gemist, want de Raad adviseert Van der Ploeg om er minimaal achttien over te houden.

De marges bij de Raad zijn dus vrij ruim en een adviesorgaan van de overheid heeft per definitie een marginaal bestaan. Er kunnen wel adviezen worden uitgebracht, maar wat daarmee uiteindelijk gebeurt is uitsluitend de verantwoordelijkheid van de bewindsman, gecontroleerd door de Tweede Kamer. De Raad kan niets afdwingen. Formeel is het precies zoals Van der Ploegs voorganger Brinkman ooit zei bij de installatie van nieuwe leden van de toenmalige Raad voor de Kunst: ,,Uw adviezen hebben des te meer kans door mij te worden opgevolgd, naarmate ze dichter bij mijn beleid liggen.''

Het merkwaardige is dat juist Van der Ploeg zich zijn eigen primaire verantwoordelijkheid niet bewust was, toen hij tijdens de voorbereiding van de subsidieverdeling onvoorwaardelijk zei zich te zullen houden aan de adviezen van de Raad voor Cultuur. Zo'n opstelling geeft de Raad te veel macht, de adviseur zit niet op het regeringspluche.

Van der Ploeg wil de vermindering van het aantal Raadsleden compenseren door het aantal commissieleden uit te breiden van 35 naar 60. De Raad ziet dat niet als compensatie, maar het is wel nuttig voor de verhoging van de kwaliteit van de adviezen. Die is ook hard nodig. Kunstinstellingen die minder subsidie krijgen of worden afgewezen spannen tegen die beslissingen steeds vaker bestuurlijke of civiele procedures aan. Soms weten ze ook aannemelijk te maken dat de besluitvorming onvolledig onderbouwd of onzorgvuldig is geweest. Die problemen zullen alleen maar toenemen, nu het aantal gesubsidieerde kunstinstellingen op 1 januari 2001 is gestegen met 130. Bij de voorbereiding van een volgende subsidieronde zal de beoordelingscapaciteit van de Raad flink groter moeten zijn.

Bovendien verklaarde de Commissie voor de bezwaarschriften van het ministerie van OCW in mei al dat de uitwisseling van informatie tussen ministerie en Raad voor Cultuur voortaan zorgvuldiger moet gebeuren. Wat er mondeling tegen elkaar wordt gezegd moet ook duidelijk en volledig worden vastgelegd in brieven en gespreksverslagen. Dat veroorzaakt in de toekomst veel extra papieren rompslomp. Bovendien moeten betrokken instellingen daarvan inzage krijgen en in de gelegenheid worden gesteld hun eigen visie naar voren te brengen. De grootste problemen liggen dus niet aan de top van de Raad voor Cultuur, maar aan de basis. Dat ziet staatssecretaris Van der Ploeg heel goed.