Ondanks alles, mededogen

In een serie besprekingen van heruitgegeven klassieke boeken deze week `Terwijl ik al heenging' van William Faulkner (uit het Engels vertaald door Rien Verhoef. Atlas, 246 blz. ƒ39,90)

Het verschijnen van Terwijl ik al heenging van William Faulkner in de reeks De Twintigste Eeuw van Uitgeverij Atlas zou wel eens de laatste keer kunnen zijn dat een roman van Faulkner hier in vertaling wordt uitgegeven. Al eerder verscheen deze vertaling van Rien Verhoef bij De Bezige Bij. Dat was in '85, en niet lang daarna zou De Bij stoppen met het uitgeven van Faulkners oeuvre. Te omvangrijk, zeker, maar ook erg moeilijk te vertalen, vooral omdat Faulkner zwaar onder invloed verkeerde van het modernisme, en naast het aanwenden van vergezochte grammaticale trucage niet schroomde bladzijden lang dialect en slang te gebruiken.

Vertaler Rien Verhoef heeft aan Terwijl ik al heenging (As I Lay Dying, 1930) misschien niet de moeilijkste klus gehad, maar hij heeft wel fraai werk verricht. Het is een van Faulkners soberste romans, geschreven in een uitgebeten stijl die hij eigenlijk vooral voor zijn korte verhalen reserveerde. De roman heeft daarbij een vorm die de vrijheid der modernisten om alle perspectieven aan te boren die men vinden kan behoorlijk op de spits drijft: we krijgen 59 korte monologues intérieurs gepresenteerd, waaruit de lezer niet meer dan een flinterdun verhaaltje kan vlooien. Verhoef weet de toonzettingen van alle stemmen goed te treffen en zet de taal slechts licht naar zijn hand. Zo kwam ik geen onvoltooid deelwoord tegen, toch Faulkners grammaticale hobby, maar aan zijn beruchte stijlbreuken en de ontelbare letterlijke herhalingen wordt door Verhoef nergens getornd.

Dat magere verhaaltje nu schetst de worsteling van een gezin met een dode moeder. Beter gezegd: een asociaal gezin probeert het stinkende lijk van hun dooie moeke in een kist op een kar te vervoeren naar de grote stad waar het mens begraven wilde worden en ontmoet onderweg elke vorm van tegenslag die God in Zijn kinderachtigheid bedenken kan. Overstrominkje hier, brandje daar, genoeg ellende, in ieder geval, om familiebanden en geheimen naar de oppervlakte te brengen.

Maar hoe meesterlijk zet Faulkner deze voorvallen naar zijn hand. De tragikomedie, die voortdurend op de loer ligt, krijgt geen kans. In deze agressieve roman zijn alle hindernissen die genomen moeten worden gewoon noodzakelijk om de tocht cachet te geven. Ze zijn niet komisch of vermoeiend, ze blijken eigenlijk het zout in de pap te zijn. Want als ze niet waren opgedoken, dan waren ze wel opgezocht door pa, die de wens van zijn vrouw best wil nakomen, als omstanders maar om de vijf tellen toegeven dat hij zich hierdoor een martelaarschap eigenmaakt waar zelfs Jezus nog U tegen zou zeggen. De ontelbare zwakkelingen in het oeuvre van Faulkner delen allen één talent: ze zijn groots in het verdrijven van tijd.

Natuurlijk zal de lezer walgen van de weke vader. En ook vraag je je al snel af wat de gevoelens van de kinderen zijn voor hun moeder. Dat lijk in de kist doet ze op een of andere manier wel aan iets denken, maar aan familie? Nauwelijks. Eerst lijkt dit wreed. Maar dan weet Faulkner je te verleiden tot nóg beter luisteren als ineens een hoofdstuk lang de stem van de overleden moeder opklinkt in een lange monoloog, die de raspende toon heeft van verongelijkte kerels, maar toch in vrouwelijk geweeklaag verzuipt. Met een schok vraag je je af waarom de kinderen het kolerewijf na haar overlijden niet gewoon in de plomp gesmeten hebben. Komen er op die vraag ook antwoorden? Dat is aan de lezer, aan diens behoefte om partij te kiezen.

Weke vaders, wrede moeders, ze duiken altijd weer op in de romans van Faulkner. Vaak krijgen ze van hun schepper iets mee dat `ondanks alles' mededogen in de lezer opwekt. In Terwijl ik al heenging zijn de ouders beiden weerzinwekkende wezens, dood in het hart, versteend in het verstand. Hoe komt het dan toch dat je naar hun hersenspinsels wilt luisteren en hen eigenlijk maar al te graag iets zou willen vergeven, om het even wat? Omdat – en daarin ligt het mysterie van Faulkner – er hoe dan ook aanspraak gemaakt wordt op je vermogen tot medeleven. Faulkner mag dan honderden personages hebben gecreëerd, hij wekt altijd de indruk ze tot op het bot te kennen, ook als hij ze maar met een paar pennenstreken schetst. En juist die enorme kennis van zijn personages zorgt ervoor dat hij in aangrijpende nuances schrijft.

Faulkners literaire universum, Yoknapatawpha County met als hoofdstad Jefferson (een herschepping van de streek in de staat Mississippi rondom de stad Oxford), is door hem in een ontzagwekkende reeks romans en verhalen beschreven, op vele manieren, in vele stijlen, maar zelfs zijn slechtste romans dragen het typische stempel van de auteur: aan de zintuigelijke bedwelming van de opgeroepen wereld valt niet te ontkomen, terwijl je toch de indruk houdt er eindeloos op eigen houtje rond te kunnen dwalen.

Terwijl ik al heenging is een mooie ingang naar dit rijk der vertellingen.