Niet omdat er antwoorden zijn

Een van de dingen waar Rutger Kopland patent op heeft is de vraagtekenloze vraag. Ik geef toe, dat ging wel eens vervelen de laatste bundels, en ook in zijn vorige week verschenen Over het verlangen naar een sigaret komen zulke zacht betogende vragen vaak terug, als de bromvlieg op een bewolkte zomeravond. Bijvoorbeeld in `Ganzen': `Wat bedoelde je toen je zei: diepte/ dat is een woord voor wat ik nu voel – diepte'; of later: `maar wat zijn deze gedachten meer dan/ een paar weemoedige veronderstellingen'.

Toch werkt de vraagtekenloze vraag als hij goed getimed is. Op een ansichtkaart met pétanque spelende mannen staat het spel stil. De mannen

[...] denken na

ze staan in een kring met hun hoofden

gebogen

over wat daar ligt

er ligt een probleem

zo hebben hun kogels nog nooit gelegen

Er klinkt een lichte ironie door in deze regels, jaren afwezig geweest, terwijl Kopland zich van dit linke stijlmiddel juist ooit zo meesterlijk bediende. Maar dan komt het. Terwijl er dus niks beweegt op die kaart

groeit onzichtbaar langzaam een vraag

de vraag: wat nu

ik zou je deze kaart graag toe willen sturen

Ik vind dat `wat nu' erg goed, omdat het het alledaagse (welke bal moet gegooid en hoe) zo onopvallend en onlosmakelijk verbindt aan grote impliciet blijvende vragen als `wat moeten mannen op leeftijd met de rest van hun leven', of: `hoe moet het nu verder met ons' (aan de geadresseerde), of: `hoe moet ik het verder zeggen, lezer, wanneer dit beeld dus dit gedicht het hier al gedaan heeft' (als de geadresseerde de lezer is).

Het zijn vragen die gek genoeg meer open zijn dan gewone vraagtekenvragen: ze zijn zo open dat ze geen antwoord verdragen. En dat nu past precies bij Koplands poëzie, met haar zoeken en weifelen, met haar voortdurend zich hernemende formuleringen; `niet omdat er antwoorden zijn lag ik/ naast je te vragen maar omdat we daar lagen' heet het ergens en de titel van een vroegere bundel is Wie wat vindt heeft slecht gezocht. Dat mag nog steeds als credo voor Kopland gelden.

Typerend is ook zijn sentimentaliteit, die hij vaak knap op afstand houdt, al slaagt hij daar zonder zijn vroegere ironie niet altijd in. In `Tijd' vraagt hij zich af `hoeveel van wat er in ons leeft' ons zal overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het

kijkt

naar iets in zichzelf, iets ziet daar

wat het meekreeg

Koplands sentimentaliteit strekt zich in Over het verlangen naar een sigaret uit tot dieren, die het tegenwoordig ook niet makkelijk hebben. Heet een zeug eerst nog wat afstandelijk een `trouwe werkneemster/ in de vlees-industrie' die `ons met aandoenlijk geknor/ een glimlach zal weten te ontlokken', het laatste gedicht spreekt een geruimde koe direct aan:

Ik probeerde niet te kijken

maar ik zag je toch een paar seconden

in een grote grijper door de lucht zweven:

je zware lichaam, je poten, je uier

je zwaaiende kop.

Evenals een gedicht over otters, die niet meer in de natuur voorkomen, roept dit bij mij dezelfde sympathie op die ik koester voor de zeehondencrèche in Pieterburen, de strijd voor de walvis van Greenpeace en de acties tegen bont van de oude mevrouw Bardot, al ironiseert de dichter zijn dierenliefde nog enigszins door een Winkler Prins Encyclopedie te citeren zodat hij vischotters kan schrijven, met sch.

Op de rand van sentimentaliteit wordt vaak de beste poëzie geschreven en in zekere zin getuigt het van moed om op de rand van die afgrond te schrijven. Kopland kan goed balanceren, hij is nog altijd een meester in het dubbelzinnig afbreken van regels, zijn ritme is geraffineerd. Hij gaat zelden echt over de schreef, ook omdat zijn gedichten tegelijk iets afstandelijks hebben.

Toch hindert dat sentimentele mij steeds meer, vooral als het de gebaande paden van de weemoed betreedt. Neem de hang naar het verleden, zoals die tot uiting komt in zijn gebruik van het woord `oud'. `Weten van die diepte die we hemel noemen/ het is een heel oud gevoel' staat er in het al eerder aangehaalde gedicht `Ganzen'. Een gedicht over de ziel begint met `De oudste geleerden al dachten dat/ wij worden bewoond door de ziel', op de volgende bladzijde ziet de dichter `een oude foto', later gaat het over `oud, heel stil water'. En in zijn vorige bundels is het van hetzelfde laken een pak.

Het was beslist veel fijner in Nederland toen er nog otters waren en de kalfjes vrolijk bij hun moeder in de wei dartelden. Voor een cent kon je een pepermuntje kopen en 's avonds kon je nog over straat. Jammer dat het allemaal voorbijgaat. Zoals de (inderdaad, helaas!) gestorven Herman de Coninck echter schreef: `Het is maar goed dat alles voorbijgaat, anders bleven we ermee zitten.'

Waar komt trouwens dat afstandelijke vandaan, dat geregeld een dam opwerpt tegen het sentiment? Ik denk dat dat bij Kopland bewerkstelligd wordt door zijn veelvuldig gebruik van onbepaalde voornaamwoorden en vergelijkbare vage aanduidingen (iets, nooit, ergens, niemand, niets). Dat kan poëzie een tijdloos karakter geven, het nadeel van zulke woorden is echter een zekere kleurloosheid en abstractie.

Die worden onvermijdelijk wanneer Kopland aan het filosoferen slaat, bijvoorbeeld wanneer hij zich afvraagt wat `tijd' is. Hij vindt het `vreemd mooi' om `nooit te zullen weten wat het is' en onderneemt dan een poging:

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik

buiten onze gedachten is geen tijd

Dat nu had Kant reeds eerder, om precies te zijn in paragraaf 6 van de Kritik der reinen Vernunft (1781), vastgesteld. Om daar nog enige interessante dingen over tijd en ruimte aan toe te voegen.

Hier en daar wordt de afstandelijkheid van Over het verlangen naar een sigaret doorbroken in aan collega's gerichte brieven. Zoals in `Post scriptum' aan Eva Gerlach, blijkens de aantekening achterin. Het maakt een beetje een potsierlijke indruk: zegt de ene P.C. Hooftprijswinnaar tegen de andere: `Nog even dit Eva...' Het gedicht vertoont een wat gekunstelde, en door het persoonlijke karakter ook wat geposeerde hartelijkheid die met een kwart van de woorden toekan.

Goed daarentegen is deze bundel in de samenspraak met beeldende kunst, iets waar Kopland zich al eerder mee heeft beziggehouden. Veel beeldgedichten blijven een praatje bij een plaatje, maar Kopland slaagt erin bij vijf kleurenafbeeldingen van Co Westerik gedichten te schrijven die aan dat werk iets toevoegen, terwijl omgekeerd Westerik iets aan zijn poëzie toevoegt. `Je ziet hoe het gebeurt', zo begint elk vers, en wanneer je aandachtig kijkt en leest, gebeurt dat ook. Sterk werken hier de herhalingen en Koplandse hernemingen, die van de `Afdaling op klaardichte dag' een bezwerend sprookje maken over hoe het lichaam tot stof zal wederkeren.

Rutger Kopland: Over het verlangen naar een sigaret. Gedichten. G.A. van Oorschot, 56 blz. ƒ25,34