Mijn vader

Mijn vader, geboren in 1903, hield van worst. Leverworst, gekookte worst, boerenmetworst, droge worst, harde worst, saucijzen, gebraden worst. Hij kende een boer, die had droge worsten op zijn zolder hangen, dat werd zijn grote vriend. Na het eerste kopje koffie wist mijn vader het gesprek zo te duwen dat hij binnen een half uur op zolder stond en op een stukje worst kauwde.

In ons dorp waren twee slagers. Slager Ooteman en slager Bontenbal. De laatste slager werd door mijn moeder Slager Grof genoemd. Alles was daar groot en dik, vet en veel. Als mijn vader daar een soepbeentje kocht, moest hij altijd de banden van zijn fiets oppompen, zei hij tegen slager Grof, toen die hem een enorm bot gaf. ,,Alle honden van het dorp renden achter mijn fiets aan'', zei hij tegen ons. ,,Geen wonder'', zei mijn moeder, ,,als je dat bot onder je snelbinders doet.'' Tegen de winter, als mijn moeder zuurkool, boerenkool of erwtensoep maakte, met worst natuurlijk, wilde mijn vader altijd het stukje hebben waar het loodje nog aanzat. Waarom hebben we nooit begrepen.

Slager Bontenbal gaf zijn zwager opdracht om in de winter stiekem mensen op straat te fotograferen. Een aantal foto's werd in het streekblad afgedrukt. Als er boven je hoofd een worst stond getekend, mocht je hem gratis afhalen.

Toen mijn vader dat hoorde, ging hij vaak zomaar een eindje fietsen.