Laat toch los

Het Nederlandse beleid ten aanzien van Suriname en de Antillen verschoof sinds 1945 van achteloosheid naar machteloze ambivalentie, blijkt uit een studie in regeringsopdracht van Gert Oostindie en Inge Klinkers. Hoe ongelukkig dekoloniseerde Holland?

`Nederland heeft geen gelukkige hand van dekoloniseren gehad', zo openen Gert Oostindie en Inge Klinkers Knellende Koninkrijksbanden, hun grote werk over de dekolonisatie van Suriname en de Antillen. Welk Europees land had dat eigenlijk wel? Dekolonisatie is al eeuwenlang gelijk aan conflict, ook in het rijk waarvan wel beweerd wordt dat het op een vreedzamer wijze werd ontbonden, het Britse. Tot ongeveer 1960 moest het zelfbeschikkingsrecht overal worden verworven, de nationale onafhankelijkheid bevochten en was de gelijktijdige natievorming in de ex-kolonie een bron van strijd en verdeeldheid. In de koloniale oorlog kon trouwens politieke winst worden behaald. De staatkundige eenheid van het Indonesische eilandenrijk werd gesmeed in de strijd tegen een Nederlandse verdeel- en-heerspolitiek.

Maar in de doorwrochte studie van Oostindie en Klinkers valt een ander beeld om: dat van de soevereiniteitsoverdracht aan Suriname in 1975 als een model van dekolonisatie. Het Nederland van Den Uyl en Pronk wilde de wereld laten zien dat het zijn les in Indonesië had geleerd en de volgende kolonie wilde schenken wat de vorige zichzelf had toegeëigend. Maar Nederland, aldus de auteurs, handelde in wezen uit eigenbelang: onwil om verantwoordelijkheid te blijven dragen voor een ver land dat zich moeilijk liet controleren; een besef van de stijgende kosten van ontwikkelingshulp; en ten slotte een beduchtheid voor de Caraïbische migratie naar Nederland. `De machteloze Nederlandse ambivalentie' heeft uiteindelijk, aldus Oostindie en Klinkers, `één partij zwaar benadeeld: de Republiek Suriname en degenen, die niet vertrokken'.

De deze week verschenen studie over het Nederlandse dekolonisatiebeleid in de Caraïben is een welkome aanvulling op wat al over Indonesië bekend was. Gert Oostindie en Inge Klinkers hebben hun onderwerp over drie boeken verdeeld. In het eerste wordt het ontvoogdingsbeleid van Nederland in de Caraïben behandeld vanaf de Tweede Wereldoorlog tot en met het Statuut van het nieuwe Koninkrijk in 1954. Dat was bedoeld als een nieuwe verhouding met Indonesië, maar werd eerst realiteit in een `transatlantisch koninkrijk'. Het tweede boekdeel beslaat de periode van de geleidelijk als `knellend' ervaren Koninkrijksbanden tussen 1954 en 1975 met als apotheose de uitroeping van de onafhankelijkheid van Suriname op 25 november 1975. In het derde deel valt de nadruk op de ontvoogding van de Antillen, op de beslissing van een behoud van de koninkrijksband (die dus daar niet meer `knelt') en op de geschiedenis van de status aparte van Aruba.

De drie boekdelen – een verkorte `volkseditie' is nog in voorbereiding – zijn geschreven in opdracht van de Nederlandse regering en grotendeels gebaseerd op Nederlandse bronnen. De auteurs blijven in hun betoog vrij dicht bij deze documenten maar ze zijn erin geslaagd de historische materie meester te blijven door hun stof ook te ordenen in wat vroeger een entrefilet heette; afzonderlijke feiten en ontwikkelingen die de functie hebben van een terzijde in de loop van het grote verhaal. Bovendien gaat hun belangstelling niet alleen uit naar de politieke dekolonisatie maar ook naar vormen van culturele ontvoogding en uitwisseling en vooral naar de immigratie uit de rijksdelen en het immigratiebeleid.

Deze geschiedschrijving van de dekolonisatie van Suriname en de Antillen beslaat weliswaar meer dan 1400 bladzijden, maar dat is nog altijd veel minder dan de twintig dikke delen waarin de dekolonisatie van Indonesië uit de archieven is gedocumenteerd. Ook hier is er verschil in proporties. De onafhankelijkheidsstrijd van Indonesië was een conflict van zodanige intensiteit dat onderzoekers in opdracht van de Nederlandse regering niet verder konden gaan dan het openbaar maken van de bronnen. De dekolonisatie van de West-Indische rijksdelen verliep relatief vreedzamer; de geschiedschrijving erover ook, zij het dat Oostindie en Klinkers tenslotte gehinderd werden in het met naam en toenaam beschrijven van de jongste besluitvorming in de ministerraad. In het laatste deel, over de relaties met de Antillen en Aruba, is het geraadpleegde archief daardoor wat verdonkerd.

Het Nederlandse kolonialisme is vanouds in de eerste plaats op Indië gericht geweest; in de exploitatie maar ook in de technische, culturele en politieke projecten. Suriname, ooit een plantage-economie, was in de twintigste eeuw geen wingewest meer, maar een armlastige kolonie, waaraan ook de winning van bauxiet niet veel heeft veranderd. Hendrikus Colijn, de verpersoonlijking van een profijtelijk kolonialisme, zag in Suriname alleen maar economische mislukking. Oostindie en Klinkers noemen het bestuur neutraler: `achteloos kolonialisme'. De Antillen begonnen wel een `batig slot' op te leveren door de vestiging van olieraffinaderijen op Curaçao en Aruba, maar de koloniale interesse werd er niet groter door. Deze eenzijdigheid is er ook de oorzaak van geweest dat er in het verleden weinig kritisch is gesproken over de slavernij. Ze werd in Nederland afgeschaft in 1863; na Engeland (1834) en Frankrijk (1848), tegelijk met de Verenigde Staten en vóór Spanje en Brazilië. Dat het langer heeft geduurd in Nederland was een kwestie van geld: compensatie aan de slavenhouders. Het geld werd ten slotte gevonden in de baten van het Cultuurstelsel op Java, die ook de oplossing boden van zo veel belastingverlaging in Nederland.

De geschiedschrijvers van Knellende Koninkrijksbanden worden geleid door de bestuurlijke visie. Het gaat in dit perspectief vooral over Nederlands beleid en over Nederlandse bestuursambtenaren. Velen van hen hadden er ook na de Tweede Wereldoorlog moeite mee de vertegenwoordigers van de West als collega's te behandelen in plaats van als `inheemsen'. Van de beschreven gouverneurs blijft een meerderheid onder de maat. In 1948 worden zowel Brons (Suriname) als Kasteel (Antillen) tot ontslag bewogen omdat ze niet in staat bleken de overgang naar zelfstandigheid te leiden. In hetzelfde perspectief blijft een Surinaamse nationalist als De Kom ongezien, maar duiken wel de eerste officiële vertegenwoordigers van Suriname en de Antillen in Den Haag op. Een van hen, de Antilliaan Da Costa Gomez, betrok een zolder in een Haagse achterbuurt tegenover een cabaret met naaktdanseressen en ontving in een `weergaloze wanorde' Nederlandse staatslieden en Antilliaanse vrienden die hijgend naar zijn bovenverdieping waren geklommen.

De periode in het tweede boek wordt in tweeën gedeeld: vóór en na het oproer in Willemstad op 30 mei 1969. Na de totstandkoming van het Statuut kregen Suriname en de Antillen de attributen van een eigen staat: eigen regeringen en bij het eerste lustrum (1959) ook eigen vlaggen. In oktober 1955 bezochten koningin Juliana en prins Bernhard voor het eerst in de geschiedenis de rijksdelen in de West want in de koloniale tijd had geen Oranje zich daar laten zien. Tot de eigen staatsattributen ging ook behoren een eigen krijgsmacht – dienstplichtigen op de Antillen, vrijwilligers in Suriname – en de wens naar eigen buitenlandse betrekkingen. Het creoolse nationalisme deed van zich spreken in de wens naar contacten met een aantal jonge staten in Afrika. Op dit punt stokte de verzelfstandiging. Het moderne Statuut van 1954 was na 1960 intussen ingehaald door een dekolonisatiegolf op wereldschaal.

Het jaar 1969 werd een keerpunt vanwege grote stakingsacties in Suriname en een oproer op 30 mei in Willemstad, dat door te hulp geroepen Nederlandse mariniers werd onderdrukt. De foto's hiervan veroorzaakten in Nederland een omslag. Men vreesde bij de internationale gemeenschap als een neokoloniale mogendheid over te komen, op een moment bovendien dat in eigen land de discussie over de geweldsexcessen tijdens de politionele acties in Indonesië was opgelaaid. De Nederlandse regering begon een nieuw politiek overleg met de rijksdelen. En waar bijvoorbeeld eerste minister Biesheuvel met een lange betrokkenheid bij `de West' zijn Surinaamse gesprekspartners tijd en ruimte wilde gunnen om aan de onafhankelijkheid te wennen, koerste het kabinet Den Uyl vanaf 1973 aan op een snelle soevereiniteitsoverdracht. Het Surinaamse kabinet-Arron bepaalde de uiterste datum (`ultimo 1975'), maar dat paste ook in het voorstellingsvermogen van Den Uyl.

De auteurs stellen vast dat Den Uyl zelf en zijn minister van Ontwikkelingssamenwerking, Jan Pronk, de volledige dekolonisatie als een gebod van de geschiedenis ervoeren en als een voorwaarde voor de nieuwe beeldvorming van Nederland als gidsland in de verhouding tot de Derde Wereld. De Gaay Fortman, die eigenlijk de koninkrijkszaken in zijn portefeuille had, liet zich door een in dit opzicht `nogal doctrinaire' minister-president overmeesteren, al wilde hij dat zelf niet toegeven. Aan de Antilliaanse regering werd meer tijd gegund; men zou uiteindelijk zijn voorkeur verwezenlijken om binnen het koninkrijk te blijven. Nederland zette ook de binnenlandse politieke verhoudingen in Suriname onder druk – tegen de geest van het Statuut – omdat de Hindoestaanse en Javaanse oppositie een snelle soevereiniteitsoverdracht tot het laatst als een creools project bleven beschouwen. De natievorming, de consequentie van de dekolonisatie, kwam onder druk te staan.

De auteurs zijn onomwonden in hun kritiek, ook al kiezen ze gepolijste formules. Het ijveren voor een spoedige soevereiniteitsoverdracht had ingrijpende gevolgen. De Nederlandse regering heeft daardoor ternauwernood de kans gehad om in de grondwet van Suriname waarborgen te laten vastleggen voor het respect van de mensenrechten en etnische verhoudingen. De doelbewust gekozen deadline in de onderhandelingen leidde tot steeds grotere bedragen aan ontwikkelingshulp, de bruidsschat aan Suriname. Ten slotte werd daardoor het probleem van een immigratie van honderdduizend Surinamers aan de vooravond van de onafhankelijkheid acuut.

Wat al lang sluimerde, werd nu urgent als gevolg van het Nederlandse beleid. De Nederlandse regering sloot de grenzen niet. Dat zou als signaal van xenofobie ook niet gepast hebben in het zelfbeeld van de Nederlandse elites in die periode, maar er was nog een ander argument. Het toelaten van immigratie kon immers een tegemoetkoming worden aan de Hindoestaanse oppositie, die zich zo tegen de soevereiniteitsoverdracht bleef verzetten. Oostindie en Klinkers stellen dat Nederlandse initiatieven om de immigratie in te dammen door deze ambivalentie mislukten. De opvang en huisvesting van de immigranten slaagden wel, zodat zelfs Surinaamse ministers binnenskamers de verzuchting slaakten dat Nederland het hun landgenoten wel erg aantrekkelijk maakte een enkele reis te ondernemen.

De Antillen bleven binnen het Koninkrijk. Den Uyl kreeg dit rijksdeel er niet uit omdat de Antilliaanse regering zelf een vertragingstactiek voerde, omdat het grote buurland Venezuela een begerig oog liet vallen op de eilanden en omdat Aruba een status aparte wenste. Oostindie en Klinkers maken duidelijk, dat het streven naar afscheiding (`separashon') een oude geschiedenis is op Aruba, die ook verklaarbaar is uit een andere samenstelling van de bevolking. Ook toen Den Uyl in 1981 in een `vechtkabinet' onder leiding van Van Agt zelf de minister werd voor onder meer Antilliaanse zaken, werd de onafhankelijkheid niet verkregen. Integendeel, op de rondetafelconferentie van 1983 werd het Nederlandse streven naar staatkundige eenheid van de Antillen als consequentie van de dekolonisatie opgegeven. Aruba kreeg zijn status aparte toegezegd (voor 1986), maar niet de gevraagde onafhankelijkheid.

Aan het eind van de jaren tachtig werd de weg naar de onafhankelijkheid van de Antillen feitelijk verlaten, ook al bleef ze op de Haagse richtingborden staan. Deze keuze, feitelijk gemaakt onder het derde kabinet Lubbers door de verantwoordelijke minister Hirsch Ballin, had twee nieuwe oorzaken. Een ervan was de inmiddels zichtbaar geworden opkomst van de aan drugshandel gekoppelde internationale criminaliteit. Dat onderwerp, dat de agenda in toenemende mate ging bepalen, maakte ook duidelijk dat de Antillen, toch ook min of meer de achtertuin van de Verenigde Staten, kwetsbaar waren geworden in internationaal politiek en in maatschappelijk opzicht.

De tweede oorzaak heeft te maken met een golfslag in de geschiedenis van de dekolonisatie in een Nederlandse context. Den Haag zag tussen 1980 en 1987 dat zich in Suriname een militaire dictatuur ontwikkelde onder leiding van Bouterse. Het werd geïnterpreteerd als een waarschuwing tegen een overhaaste soevereiniteitsoverdracht aan de Antillen. De schaduw van Suriname viel over de dekolonisatie van de Antillen zoals eerder de schaduw van Indonesië was gekomen over de ontvoogding van de West. Waar Nederland zich in de jaren zestig had gehaast – met de politionele acties voor ogen – om Suriname te dekoloniseren, nam het in de jaren tachtig – met de militaire dictatuur van Bouterse in het vizier – weer vaart terug in de verzelfstandiging van de andere Caraïben.

Gert Oostindie en Inge Klinkers: Knellende Koninkrijksbanden. Het Nederlandse dekolonisatiebeleid in de Caraïben 1940-2000. Drie delen. Amsterdam University Press, 1575 blz. ƒ150,–