Kinderen van dertig jaar en ouder

De eerste alinea van Witte Paarden, het romandebuut van Paul Gellings, staat als een huis: `Ik heb ooit twee broers gekend van wie ik zielsveel heb gehouden. Roemer en Floris Duisterwinkel. Roemer zag in mij een dichter en fronste zijn wenkbrauwen wanneer ik jus d'orange dronk of 's morgens naar mijn werk ging. Floris wilde mij in een bepaalde tijd vermoorden. Beiden zijn vrij jong gestorven.' Voor de broers moet een monument opgericht worden en dit boek moet dat zijn.

De verteller en de broers Duisterwinkel maakten deel uit van een gemeenschap `hele en halve kunstenaars, nachtbrakers en drinkers, kinderen van dertig jaar en ouder' in het noorden van Nederland. Witte Paarden is de eerste roman van Gellings (1953), die eerder drie dichtbundels publiceerde. Ook de verteller van het boek is trouwens dichter. Hij keert na jaren terug naar het noorden, waarna de herinneringen terugkomen. Die maken het overgrote deel van het sober geschreven boek uit. Gellings houdt zijn materie goed onder controle, soms wat al te goed. Het zijn in de eerste plaats herinneringen aan Roemer Duisterwinkel: schilder, dichter, veeldrinker, begenadigd huizenverbouwer en suikerpatiënt: met grote regelmaat worden de gezellige avonden onderbroken omdat Roemer heeft verzuimd zijn insuline te spuiten, waarna hij in coma dreigt te verdwijnen. Roemer is het soort man dat je kunt typeren als loser of als levenskunstenaar. Want hoewel het met zijn kunstenaarschap nooit echt wil vlotten is hij in ieder geval iemand die doet wat hij wil.

Een van de innemendste karaktertrekken van Roemer Duisterwinkel is het vertrouwen dat hij in de andere aspirant-kunstenaars stelt. Vooral de hoofdpersoon krijgt vaak van hem te horen dat hij toch echt een dichter is en zijn hele leven zou moeten wijden aan de kunst. Duisterwinkel is uiteindelijk vooral zeer getalenteerd in de omgang met mensen: of het nu vrouwen (dames) zijn die hij in bed krijgt – zelfs als op een gegeven moment zijn linkeronderbeen is geamputeerd, of functionarissen: hij is het soort man dat al een gratis parkeervergunning bezit voordat hij een auto heeft.

Wat de verteller aan Duisterwinkel bindt is dichterschap en een in beider levens gelijktijdig opgetreden liefdesdebâcle. Steeds weer komt de pijn van het afgesneden zijn van die vrouwen terug, maar op geen enkel moment – en dat is een van de zwaktes van Witte Paarden – komen die vrouwen werkelijk uit de verf. Bepaalde fysieke kenmerken en enkele naar het hysterische neigende trekjes van de `grote liefdes' van de heren komen aan bod, maar daar blijft het bij. Waarom ze maar over Prim en Sanna (want zo heten de liefdes) blijven inzitten, blijft duister.

Dat de vrouwelijke bijrollen niet erg uit de verf komen is geen drama, maar helaas geldt hetzelfde voor de derde hoofdpersoon: Floris Duisterwinkel, de broer van Roemer. Die is meer in zichzelf gekeerd en stellig minder artistiek. `Zielsveel' hield de `ik' dus ook van hem, maar waarom? Misschien wel vooral omdat hij bij Roemer hoorde: de verteller – zelf kind van een jonggestorven moeder – is zeer aan de hele familie gehecht, inclusief de ouders. Aan de woonplaats van die ouders en aan een mythe over twee eeuwig jonge hengsten, ontleent Witte Paarden zijn titel.

De relatie met Floris komt pas op scherp te staan wanneer diens `grote liefde' (Stella, een juist genezen verklaarde psychiatrische patiënte) hem het bed in lokt en de volgende morgen beweert door hem verkracht te zijn. Het leidt tot een vijandschap die pas weer op Roemers begrafenis enigszins wordt bijgelegd, maar in de jaren die Floris dan nog resten komen ze niet meer tot elkaar.

Uiteindelijk is het belangrijkste probbleem van Witte Paarden een kwalificatie die ook al op de eerste pagina wordt gegeven aan de `wilde tijd': `Veel om naar terug te verlangen, maar achteraf weinig om je over te verbazen'. Dat geldt niet voor het portret van Roemer Duisterwinkel, maar wel voor de rest van de roman: Gellings' stijl, de plot en de personages zijn adequaat, maar net niet krachtig genoeg om je te verbazen.

Paul Gellings: Witte Paarden. De Geus, 158 blz. ƒ35,25