In een onaangedaan landschap

De romans van Kerstin Ekman, een van de belangrijkste Zweedse schrijvers van dit moment, zijn onderling zeer verschillend – en van een afstand doen ze ook nog eens eigenaardig aan: het ene boek bestaat uit lange innerlijke monologen van een groep middelbare vrouwen in Stockholm die de wereld willen verbeteren (Breng mij weer tot leven), dan weer beschrijft ze de wereld vanuit het perspectief van een jachthond die zijn baas kwijtraakt (De hond), in weer een ander boek beschrijft ze een beschavingsproces aan de hand van de ontwikkeling van een trolachtig wezen (De dwaas). Haar grootste succes tot nu toe is Zwart water, een beklemmende moordgeschiedenis die zich afspeelt in het onherbergzame sneeuwlandschap van Noord-Zweden.

Dat landschap is wat haar romans met elkaar verbindt, van welke vorm ze zich ook bedient. Het speelde al een rol in de misdaadromans waarmee ze haar loopbaan eind jaren vijftig begon (onder andere Onder de sneeuw) en in haar latere werk groeide het uit tot een even stille als bedreigende aanwezigheid, een onnadrukkelijk symbool voor de natuurkrachten die de mens nog altijd in zijn greep houden, meestal bedreigend, maar heel zelden weldadig. De personages in Zwart water zijn figuren op het randje van de beschaving, die verscheurd worden door emoties waar ze nauwelijks greep op hebben; de moord op een jong kamperend stelletje is niet meer dan een katalysator van die gevoelens.

In Wolfshuid, haar nieuwe grote roman, keert ze terug naar het gehucht Svartvattnet waar Zwart water zich afspeelde, alleen speelt het verhaal zich een kleine eeuw vroeger af. Hillevi Klarin is een jonge vrouw die in Upsalla een opleiding tot vroedvrouw heeft gevolgd en haar geheime minnaar vooruit reist, een jonge dominee, die in de buurt is benoemd. Ze treft een oord van natuurlijke verschrikking aan; Ekman beschrijft het noordelijke landschap harder dan ooit. De mensen die Hillevi daar ontmoet leven ver onder het beschavingsminimum. Meteen al belandt ze in een gruwelijke scène: in een afgelegen stulp helpt ze bij een verwaarloosde bevalling in een dierlijk gezin. Het kind blijkt het resultaat van incest en wordt meteen na de geboorte verdronken in een wak in het ijs.

Het is die scène die Hillevi heel haar verdere leven in Svartvattnet achtervolgt. Ze bouwt zoiets als een bestaan op en sluit een gelukkig huwelijk met een lokale handelaar (die haar tijdens hun eerste ontmoeting verrast met een bloederige huid van een zwangere wolvin, die hij net eigenhandig geslacht heeft). Haar verhaal wordt steeds weer afgewisseld met een terugblik van een oude vrouw vanuit het heden, van wie de identiteit voor de lezer lang verborgen blijft: ze ontmoet personages die je ook kent uit het verhaal van Hillevi, maar wie is zij? Als dat op een gegeven moment duidelijk wordt, lopen de twee verhalen in elkaar over en wordt ook duidelijk waar Ekman met dit rauwe verhaal vol wreedheid en bloed naartoe wil: het is de aangenomen dochter van Hillevi, een Lappenkind, dat indirect met de gruwelbevalling aan het meer te maken heeft.

Net als in Zwart water knoopt Ekman de touwtjes in haar uitwaaierende verhaal aan elkaar zonder dat je er veel erg in hebt: naast Hillevi en haar adoptiedochter wordt ook het leven van de vader van de incestbaby, een doodsbange jongen van vijftien, op de voet gevolgd. Zijn leven blijkt uiteindelijk nauwer verweven met dat van Hillevi dan op het eerste gezicht leek. Wel is Wolfshuid minder transparent dan zijn voorganger; wat ontbreekt is de onopgeloste misdaad die de lotgevalen van alle personages in Zwart water bijeen hield. Het verhaal is ook zwarter; het is alsof Ekman al haar bekende thema's op de spits drijft. De mensen, vooral de vrouwen, in Wolfshuid zijn de speelbal van de natuur, het leven is voor hen een en al ziekte en angst en ellende, die door Ekman met een dodelijke precisie worden beschreven. Ik ken eigenlijk geen andere schrijver die de rauwheid van het leven zo onvoorwaardelijk onder ogen ziet, zonder ook maar een moment cynisch te worden. Ekman is allesbehalve een sentimenteel schrijver en de kleine overwinningen die door Hillevi in Wolfshuid op de woeste krachten van de natuur worden behaald, zijn dan ook niet meer dan dat. Net als in eerder werk benadrukt Ekman de noodzaak om zoiets als een beschaving op te bouwen, maar ze vergeet geen moment hoe wankel dat bouwwerk is. De barmhartigheid van de God die door de predikant waarmee Hillevi aanvankelijk denkt te trouwen, wordt aangeroepen, is duidelijk afwezig in het landschap van Svartvattnet. De mens zal het zelf moeten doen; genade is een zuiver menselijke eigenschap. Een mens houdt zichzelf overeind door banden met anderen aan te gaan, door zich te omringen met verhalen over de doden. Je kunt zeggen dat heel het bestaan van Hillevi bedoeld is als antwoord op de dode wolvenwelpen die ze in het begin van de roman vanuit het raam van een herberg aanschouwt en op het babylijkje in het wak. Maar het leven dat Hillevi weet op te bouwen in deze witte wildernis heeft niets van een menselijke triomf, het blijft een schraal en onzeker bestaan. Haar huwelijk houdt stand, maar de passie verdwijnt; voor alles wat gewonnen is, blijkt iets anders verloren. Ziekte en dood omringen alles wat leeft.

In haar nieuwe roman ontdekt Ekman geen nieuw terrein. Haar thema's zijn haar lezers bekend, net als de broeierige onderkoeldheid van haar personages in hun onaangedane landschap, de mateloze wreedheid die overal op de loer ligt. Tegelijk is het in Wolfshuid weer allemaal als nieuw. Haar visie heeft niets aan kracht verloren, integendeel, zij lijkt zich eerder verdiept te hebben; sommige scènes en beelden behoren tot de meest intense in haar werk. Wolfshuid lijkt misschien op ander werk van Ekman, maar dat werk kan met niets anders vergeleken worden.

Kerstin Ekman: Wolfshuid. Uit het Zweeds vertaald door Koen de Troij. Bert Bakker, 329 blz. ƒ39,50