Iedereen gewond

Winterijs, de nieuwe roman van Peter van Gestel, speelt zich voornamelijk af in de heel koude winter van 1947. Amsterdam staat stijf van het ijs, karren kiezen de ijswegen in plaats van de gladde bruggen, mensen sjouwen met kolen. Thomas Vrij, Tommie, is tien. Hij glijdt vaak uit over al dat ijs en daardoor zitten zijn knieën vol `bloedkorsten'. Blijkbaar draagt hij geen lange broek. Zijn moeder is in december '45 gestorven, zijn vader is schrijver en heeft geen werk. Thomas heeft op school stil gehouden dat zijn moeder dood is. Leek hem beter. Hij houdt er niet van als mensen medelijden met hem hebben. Als het op school toch bekend wordt dat zijn moeder dood is, wordt hij een poos lang ontzien, maar als hij op een dag een meisje in haar been knijpt, slaat de meester hem gewoon om zijn oren. ,,Eindelijk had ik weer eens een paar ferme petsen gekregen. Ik had er al lang de pee over in dat ik bij het uitdelen van petsen altijd maar werd overgeslagen. Nu zat ik er in de klas niet meer voor spek en bonen bij.'' Zo'n jongen is Thomas Vrij. Een jongen die ervan houdt als het een beetje pittig toegaat. Een jongen die graag verhalen verzint en die met veel aplomb vertelt en met veel `verrekte' erin. Dan geniet hij zich suf, zoals hij zegt. Een Amsterdams jongetje. Een heel vitaal kereltje.

Dit hele Winterijs wordt ons door Thomas zelf verteld. Het lijkt er niet op dat hij alles verzint. Nee, het lijkt allemaal erg echt. Hij vertelt over zijn vriendschap met Piet Zwaan, die thuis Piem genoemd wordt, op school Piet en door Tommie Zwaan. Piet Zwaan is nieuw in de klas. Hij is een vroegwijs jongetje, beetje ouwelijk, lacht bijna onzichtbaar. Hij woont in een deftig huis aan de Weteringschans. Bij zijn tante Jos en zijn nicht Bet van dertien. Tommie is meteen `smoor' op Bet. Bet is niet aardig, ze heeft kleine felle oogjes, ze vindt dat Tommie vreselijk vloekt en ze lacht bijna niet. Allemaal pluspunten in zijn ogen.

Het is wel duidelijk dat Tommie niet veel weet van wat er zoal in de oorlog gebeurd is. En geleidelijk aan wordt duidelijk dat Zwaan en Bet daar wel weet van hebben, min of meer uit eigen ervaring. Zwaan woont niet voor niets bij zijn tante. Zijn tante, Bets moeder, heeft geen man meer. Op Bets kamer staan allemaal foto's. Alle mensen op die foto's zijn dood.

,,Ik ben niet zielig'', is zo ongeveer Tommies eerste zin in het huis op de Weteringschans. ,,Het is je geraaien. Zielige mensen zijn een horreur'', antwoordt de deftige tante Jos. Het is tekenend voor dit boek. Niemand is zielig, maar iedereen is gewond, al klinkt dat al weer veel te hoogdravend. Dit boek is niet hoogdravend. Het wil hard zijn, stevig, levenslustig en dat is het ook. Maar het is ook verdrietig, melancholisch, vroegwijs. En het is, beter dat meteen maar te zeggen, een meesterwerk.

In deze roman wordt een verloren tijd teruggehaald, want die winter die is zo voorbij als een winter maar kan zijn op het moment dat Tommie aan zijn verhaal begint. Niet alleen omdat de mussen van de hitte dood van de daken vallen, ook omdat alles onherroepelijk anders is. Zwaan is naar Amerika. Bet woont bij haar grootmoeder. Tommie is veel wijzer dan hij was, en ook veel alleniger, al was hij dat al.

Aan alleenzijn is niets te doen, dat maakt dit boek wel duidelijk. Het is de menselijke conditie. Zwaans oudste, en enige, herinnering aan het huis waar hij met zijn ouders woonde is dat hij de trap oploopt en zich aan de leuningen omhoogtrekt. ,,Er staat niemand boven aan de trap, niemand loopt achter me aan, ik ben alleen.'' In zekere zin geldt dat voor iedereen in dit boek. Maar sommigen dragen het wat zwieriger dan anderen.

Het is die eenzaamheid die de verdrietige ondertoon geeft, de eenzaamheid en het verstrijken van de tijd die van alles in zich opslokt zonder dat iemand er nog bij kan. Vooral veel mensen verdwijnen erin. Bet en Zwaan zijn nog een poos regelmatig naar het station gegaan. ,,Je kon nooit weten. Het Rode Kruis had gezegd: er komen mensen terug.'' Maar ze komen niet terug, wat rest zijn foto's van stijf glimlachende dames en heren.

Tommie weet nog dat zijn moeder veel ruzie met hem maakte. Vond-ie fijn. En dat ze altijd natte handen had. ,,Ze kneep verdomde vaak in mijn neus.'' Zwaan kan zich zijn moeder niet herinneren.

Tegen dat verdwijnen in heeft Peter van Gestel dit boek geschreven en een wereld gemaakt die blijft. Voor altijd loopt Thomas Vrij over het ijs van de Amstel, voor altijd loopt zijn vriend Zwaan naast hem, voor altijd staan ze alleen in het leven. En als het goed is, worden ze voor altijd gelezen.

Peter van Gestel: Winterijs. Fontein, 250 blz. ƒ27,95