Heden en verleden van de koe

Lang leve het rund. Zo mag je de flamboyant geïllustreerde hommage van koeienschilderes Marleen Felius en bioloog Anno Fokkinga wel samenvatten. Dertig jaar lang verzamelde Felius een `mer á boire' in tekst en beeld over het heden en verleden van de ons vertrouwde melkkoe, een verre nazaat van de Bos primigenius, het oerrund, dat zo'n 20.000 jaar geleden in de grotten van Lascaux al mooi en nuttig genoeg werd bevonden voor een in roestrood pigment neergezet portret.

In helder en compact geschreven hoofdstukken wordt het rund onder meer als object van verering en vermaak, als trek- en rijdier en als melkmachine wereldwijd op de voet gevolgd. Van jachtprooi – de Egyptische farao Amenophis II legde er 3.500 jaar geleden wel 65 per dag neer – ontwikkelde het oerrund zich enigszins schimmig en vermoedelijk in Afrika tot het huisrund, een type met èn zonder bult, dat met of zonder brandmerk, voor kracht, melk, vlees en nageslacht zorgt.

Afgezien daarvan moet het – lees het hoofdstuk `Sport of Vermaak?' – ook nog garant staan voor een hoge amusementswaarde, want de mens buit het rund graag uit. De stad Arles organiseert jaarlijks nog zo'n zevenhonderd stierengevechten; in Ethiopië bewijst men met een loop over zoveel mogelijk runderruggen volwassen te zijn; Canada houdt zijn ossentrekwedstrijden en Indonesië zijn stierraces, en in een Peruaans dorp moet jaarlijks een jonge stier – symbool voor de Spaanse bezetter van weleer – het kort voor de slacht opnemen tegen een condor die, vastgebonden op zijn rug, zò diep zijn klauwen in zijn vlees zet dat de aarde ten teken van vruchtbaarheid rijkelijk van bloed wordt voorzien.

Het boek De Koe wemelt van deze wetenswaardigheden. Nooit geweten dat in Noord-Afrika bijvoorbeeld de hoorns van runderen al vijfduizend jaar kunstmatig vervormd worden en dat het Masai-volk zijn lievelingskoe compleet brandmerkt met – het moet gezegd – een mooi cirkelpatroon. In Portugal zijn het nog steeds koeien die de reddingsboten de oceaan in duwen, het Dinka-volk in Soedan dankt zijn roestbruine haarkleur aan koeienurine en in Cambodja voorspellen astrologen op basis van het gedrag van zes ossen de toekomst aan de adel van Phnom Penh.

Al die fenomenen zijn stuk voor stuk royaal en adequaat met kleurenfoto's en tekeningen geïllustreerd. Zelfs over de inwendige koe, haar driftleven en reageerbuisbevruchting blijft ons visueel niets bespaard. De meest bizarre foto is gemaakt in Zuid-Soedan, waar een jongen zijn hoofd diep in de koeienvagina steekt opdat het dier zijn `melk laat schieten'. Voor datzelfde `vaginablazen' stapte men hier wijselijk over op een plastic slangetje.

Wie na alle BSE-rampspoed de koe even moe denkt te zijn, komt daar al bladerend door dit platenboek snel op terug. Het is net zo veelzijdig als de kleurpatronen die Le Francq van Berkhey in zijn Natuurlyke Historie van Holland (1805-1811) opsomde: van `zwart, ros, beis, muisvaal, blauw en geel' tot tijgerbont, oogzwart, trekmuts, gebeft, blaerbont, bagijnekap en bruinvoet.' Hoera voor De Koe!

Marleen Felius/Anno Fokkinga De Koe. Thoth, 207 blz. ƒ79,50