Een wees van 330 miljard

De bonden blij, de minister tevreden, maar hun pensioenfonds krijgt straks de rekening gepresenteerd. En wie gaat daarvoor straks de knip trekken?

Een paar maanden geleden sloten de onderwijsbonden een `poencontract' af met minister Hermans van Onderwijs, afgelopen week hebben de rijksambtenaren in het licht van de economische teruggang een mooie loonronde van 3,6 procent voor elkaar gebokst. Hun tegenspeler, minister De Vries van Binnenlandse Zaken, kreeg in ruil daarvoor een pakket maatregelen om de positie van de rijksoverheid als werkgever op de arbeidsmarkt te verbeteren.

De loonwinst voor de werknemers is slecht nieuws voor het ABP, het pensioenfonds voor werkers bij de overheid en in het onderwijs. De vakbonden die de loononderhandelingen met Hermans en De Vries voerden leveren ook de helft van de twaalf bestuurders van het pensioenfonds, dat begin dit jaar 330 miljard gulden beheerde. Door de terugslag op de aandelenmarkt zal dat belegde vermogen nu minder zijn.

Werkgevers en werknemers besturen samen het pensioenfonds, zo gaat dat in Nederland. Dit samenspel stamt uit de tijd dat pensioenfondsen een attractieve,door de fiscus bevoordeelde manier waren om vermogen voor de oude dag op te bouwen.

Inmiddels is het bestaansrecht van de fondsen onder invloed van de vergrijzing aan het wijzigen. Zij zijn niet alleen meer een `spaarfonds', waarin werknemers een aanvullend pensioen opbouwen bovenop de AOW. Pensioenfondsen worden ook meer en meer een `uitkeringsfonds' voor ouderen. De gepensioneerden zijn echter niet of nauwelijks in de almachtige besturen van de fondsen vertegenwoordigd.

Het ABP is van ouds een blikvanger onder de pensioenfondsen. Ruwweg een kwart van de Nederlandse huishoudens is, nu of straks, financieel mede afhankelijk van een pensioenuitkering van het ABP. Het fonds is als belegger te groot voor Nederland. Het ABP heeft een puike pensioenregeling, gebaseerd op het laatst verdiende loon en bovendien welvaartsvast, dat wil zeggen dat de pensioenen worden verhoogd met de gemiddelde loonontwikkeling bij de overheid. Hogere loontoezeggingen en oplopende inflatie (richting 5 procent) zijn voor het ABP dubbel pech, zeker nu het met zijn beleggingen meer risico's neemt om de beoogde en bitter noodzakelijke hogere rendementen te behalen.

De aandelenmarkten, die bij uitstek die hoge rendementen moeten geven, laten op dit moment een koersverlies van meer dan 20 procent zien. Ook de effecten met een vaste rente geven op dit moment een historisch lage, maar nog wel positieve opbrengst. Eind vorig jaar was bijna 40 procent van het ABP-vermogen in aandelen belegd, de helft in effecten met een vaste rente, de rest in vastgoed. Over twee jaar wil het ABP 60 procent van het vermogen in aandelen, vastgoed en vergelijkbare, zogeheten zakelijke waarden beleggen. Een simpel staatje in het jaarverslag van het ABP over 2000 onderstreept de klempositie waarin het fonds is gemanoeuvreerd. Terwijl de contractlonen bij onderwijs en overheid jaar in jaar uit stijgen, zijn de beleggingsrendementen dramatisch gedaald. Zelf noteerde het ABP vorig jaar al in zijn jaarverslag dat de risico's toenemen. De bedragen waarmee de loonrondes en de inflatie moeten worden vergoed, worden steeds groter. De verhouding tussen het beschikbare vermogen en pensioenverplichtingen daalde vorig jaar al met vijf procentpunt naar 117 procent en dit jaar zal de daling, als de beleggingsresultaten op dit niveau blijven, nog dramatischer zijn. De boekhoudkundige wijziging die het ABP wil doorvoeren om zijn financiële positie beter in kaart te brengen zal, op het eerste gezicht, de gestegen risico's nog extra benadrukken.

De dalende dekkingsgraad roept de vraag op: wie legt straks het geld op tafel om de financiële positie van het ABP weer te verbeteren? Als dat al mogelijk is zonder draconische premieverhoging of een versobering van de pensioenregeling en van de uitkeringen, al is het maar tijdelijk.

Vorig jaar betaalden de werknemers en de overheid samen 5,5 miljard aan pensioenpremies, waarvan meer dan tweederde voor rekening van de werkgever kwam.

De dubbelrol van werkgevers en werknemers als loononderhandelaren én als pensioenfondsbestuurders kan nu een vervelend belangenconflict worden. Wat gaat vóór, loon of pensioen. Komen de vakbonden over de brug om de financiële positie van het ABP te versterken? Weg is dan de ruimte die zij hebben voor hogere lonen.

De overheid dan? Minister De Vries lijkt het wel en wee van het fonds liever zoveel mogelijk op afstand te houden. Op Kamervragen over extra toelages voor drie van de vijf directieleden van ABP liet De Vries in augustus weten dat de vragenstellers niet bij hem moesten zijn. Ja, de werkgevers bij overheid en onderwijs benoemen wel zes van de twaalf bestuursleden van het pensioenfonds, maar de minister heeft ,,in gevolge de Wet privatisering ABP geen (bijzondere) verantwoordelijkheden of bevoegdheden jegens het ABP-bestuur''.