Deconstructie van de gsm

Het postmodernisme mag dan dood zijn, op sommige graven is het leuker dansen dan op andere. Een aardige introductie tot deze nu zo gesmade maar ooit speelse, ondermijnende stroming in de filosofie en literatuurwetenschappen biedt bijvoorbeeld de kleine reeks `Postmodern Encounters' van de uitgeverijen Icon (Engeland) en Totem (USA). De deeltjes over Edward Said, Walter Benjamin en andere intellectuele iconen laten zowel de scherpte zien van het postmodernisme, de emancipatoire inzet, als de irritante, quasi-erudiete onzin waarin het allemaal kan uitmonden.

Neem Heidegger, Habermas and the Mobile Phone. George Myerson, verbonden aan King's College in Londen, legt daarin onnavolgbaar uit hoe de mobiele telefoon de digitale wereldorde van het kapitalisme symboliseert: het onophoudelijke geklets, de doffe leegte van het `ik zit in de trein, schat', de dictatuur van de bereikbaarheid, kortom, de frivoliteit van een – jazeker – postmoderne cultuur die `geen onderscheid meer kan maken tussen een creditkaart-transactie en een conversatie'. Myerson maakt daarbij gebruik van de twee grootste Duitse filosofen die hun gedachten hebben laten gaan over `communicatie': de meester van de `machtsvrije communicatie', Jürgen Habermas, en de evenzeer vereerde als gehate zijnsmetafysicus Martin Heidegger.

Je kunt je er iets bij voorstellen. Heidegger, die in Sein und Zeit (1927) nog wel schreef over de automobiel maar niet over andere technische verworvenheden van de moderniteit, zou inderdaad wel raad hebben geweten met de gsm, het instrument bij uitstek voor het Gerede, het impulsieve gepraat over van alles en nog wat, waarmee `men' de naderende dood van zich probeert af te houden. Jürgen Habermas spande zich op zijn beurt in om `de leefwereld' te vrijwaren van kolonisatie door `het systeem', een verloren strijd als iedereen met zijn mobieltje permanent is ingeplugd, en dus te traceren en controleren is. Het onderscheid tussen particuliere en publieke ruimte is komen te vervallen; de ether is één grote telefooncel geworden waarvan de deur nooit meer dicht gaat.

Myerson past met zijn beschouwing over communicatie en de gsm naadloos in de cultuurkritiek die ook wordt geventileerd in andere deeltjes van deze reeks postmoderne confrontaties en die heeft geleid tot een veelbesproken en omstreden vakgebied, cultural studies, waarin volgens voorstanders een `deconstructie' plaatsvindt van het heersende, koloniaal-racistisch-seksistische westerse idioom, maar dat volgens critici vooral een academische schuilplaats biedt voor linkse denkers met even weke hersenen als knieën. Myersons boekje is een amusant voorbeeld van het eerste, maar zijn conclusie (`Laten we hopen op de terugkeer van s-communicatie, de `s' van stilte') past toch eerder bij nostalgisch-rechtse cultuurkritiek dan bij het linksige postmodernisme. Een vrolijke deconstructionist als Jean Baudrillard zou minder Heideggeriaans somberen, en in de vloedgolf van gezwets die nu per gsm over de wereld rolt eerder een ironische `opstand van de massa' zien die de flitsende speeltjes die het kapitalisme haar toewerpt gebruikt om `het systeem' de oren van het hoofd te kletsen. Voor zo'n cynische conclusie is Myerson te serieus, en dat is jammer. Zijn boekje krijgt daardoor meer ernst dan het kan verdragen.

George Myerson: Heidegger, Habermas and the Mobile Phone. Icon, Postmodern Encounters, 80 blz. ƒ20,15