De herinnering zal nooit sterven

Het is acht uur 's ochtends, zondagmorgen op het kerkhof van Santa Maria del Pianto. De grafkapellen en tombes liggen hoog tegen de heuvel van Poggioreale. Beneden ligt de glinsterende baai van Napels en in de verte de Vesuvius, gehuld in een lichte nevel. Handelaren veranderen kale houten planken in een geurige uitstalling van verse bloemen.

Vincenzo Sindaco is er al, zoals iedere zondag. Hij heeft tot kwart over drie 's nachts borden met pizza en spaghetti alle vongole rondgedragen. Een stoppelbaard en wat doffe ogen, achter grote brillenglazen verraden zijn vermoeidheid. ,,Natuurlijk ben ik moe'', zegt hij, ,,maar dat geeft niet. Caruso is belangrijker.''

Al 33 jaar verzorgt Sindaco de grafkapel van de beroemde Napolitaanse tenor. ,,Zijn familie laat zich hier nooit zien'', zegt hij verontwaardigd. Het stoorde hem dat het graf niet werd bijgehouden, dat er geen verse bloemen stonden. ,,Caruso was een grootse Napolitaanse kunstenaar met een verbluffend mooie stem. Iemand die goed van hart was ook en allemaal goede dingen heeft gedaan. Zo iemand moeten wij als Napolitanen in ere houden. Niet zozeer omdat hij een legende is, maar omdat hij verder leeft in het Napels van nu. Caruso hoort bij Napels, is Napels.''

Hij koopt bij de poort zes bossen gele chrysanten, groet de opzichters en loopt de weg af die langs de heuvel naar beneden slingert. Langzaam, want de 63-jarige kelner heeft vorig jaar drie bypasses gehad. Hij wijst op de bordjes die aangeven waar het graf van Caruso te vinden is. ,,Heb ik voor gezorgd'', zegt hij trots.

In een bocht staat de grafkapel van Caruso. Een borstbeeld van Jezus boven de ingang, aan weerszijden twee halve zuiltjes ertegenaan geplakt. Aan de andere kant van de kerkhofweg staat de sarcofaag van Errico Scognamillo, de pianist die zijn vaste begeleider was. Ze zijn in hetzelfde jaar overleden, 1921.

Sindaco maakt het ijzeren hek open. Samen met een grafbewaarder zet hij de verse bloemen in twee vazen en veegt hij het trapje schoon. ,,Caruso is een soort familielid voor me geworden'', zegt hij. ,,Ik praat ook tegen hem.''

Sindaco krijgt altijd een kaartje van het Teatro San Carlo, het Napolitaanse operahuis, en zegt dat hij dan Caruso verslag uitbrengt wie er goed heeft gezongen en wie er naast zat.

Op de vloer bij de ingang is een kleine tegel ingemetseld. Daarop staat in het Latijn: Mortus est, sed memoria pretiosi cantus sui non morietur – hij is dood, maar de herinnering aan zijn prachtige zingen zal niet vergaan. Naast de sarcofaag staan foto's. Sindaco wijst op één ervan. ,,Deze is gemaakt toen hij achttien, negentien jaar was. Hij had toen maar één goed overhemd. Caruso is straatarm geboren. Ook al had hij aan het einde van zijn leven, 48 jaar oud, zes miljoen dollar, hij is zijn afkomst nooit vergeten. Voor mij is dat misschien nog wel mooier dan zijn stem.''

Een stenen plaat herinnert daaraan. ,,Caruso heeft een villa bij Florence gekocht, in Lastra a Signa'', vertelt Sindaco. ,,In die tijd zat iedereen in het dorp zonder werk. Caruso heeft ze allemaal aangenomen om te helpen bij het opknappen van het gebouw. Zo'n man was hij.''

Jarenlang heeft Sindaco (het woord betekent burgemeester) het allemaal alleen gedaan. Maar een paar jaar geleden kwam de echte sindaco van Napels – toen Antonio Bassolino – eten in het restaurant waar Sindaco werkt, in `Cirò in Santa Brigida'. Ze raakten aan de praat, en Bassolino ging weg met de belofte dat het graf van Caruso zou worden opgeknapt op kosten van de gemeente. In het midden staat een grote sarcofaag met de resten van de tenor, tegen de zijmuren zijn ouders, een aantal van zijn kinderen, en andere familieleden. Ook Rodolfo Caruso is hier begraven, zijn oudste zoon – Sindaco vertelt dat hij zo is genoemd omdat hij is verwekt tijdens een opvoering van La Bohème.

Op het altaartje dat tegen de achtermuur staat, ligt een boek met handtekeningen van bezoekers. ,,Alle zangers die optreden in San Carlo komen hier eer bewijzen aan hun maestro'', zegt Sindaco. ,,Caruso was de eerste zanger die terwijl hij zong ook acteerde, de scène interpreteerde.''

Opgevouwen achterin het boek zit een geprinte tekst die iemand heeft achtergelaten. Sindaco leest het voor: ,,Caruso was geen zanger, geen stem, hij was een wonder. Zo iemand komt er de eerste twee of drie eeuwen niet meer, misschien wel nooit meer.''

Als hij het papier weer wegstopt, zegt hij: ,,Ik denk eigenlijk: nooit meer. Niet dat de tenoren van nu niet goed zijn. Maar ze zijn niet als Caruso. Ze zingen niet met hun hart.''

Na een uurtje in de grafkapel gaat Sindaco weer weg. Het is zijn vrije dag, en hij wil thuis naar bandjes met Caruso luisteren, boeken over hem lezen, video's zien over zijn leven. Hij had al de taperecorder in zijn zak laten zien. Maar binnen op het kerkhof kon hij dat niet laten horen. Omdat buiten op straat te veel lawaai is, stappen we even in de auto om te luisteren. De klassieker O sole mio, met die onmiskenbare warme en soepele stem. Het tweede couplet zingt Sindaco mee, met precies dezelfde stembuigingen. ,,Ik heb er vaak naar geluisterd en daardoor is Caruso als het ware in me gaan zitten'', zegt hij.

Het is geen trots of hoogmoed die uit die woorden spreekt, maar liefde en bewondering. Sindaco vertelt dat hij met die cassette van Caruso vorig jaar het ziekenhuis in is gegaan, voor zijn bypasses. ,,Ik zong Caruso en wist niet of ik er weer uit zou komen. Maar het is goed gegaan en nu sta ik weer hier. Ik hoop alleen dat er na mij ook nog iemand is die hier komt om een beetje te zorgen voor een man die zoveel heeft gedaan voor Italië, en voor Napels in het bijzonder.''