De doe-het- zelf-strip

Wat hebben een stripwinkel en een kraakpand met elkaar te maken? In eerste instantie niets, maar ze zijn beide wèl een vrijplaats voor een specifieke subcultuur. En allebei worden ze gebruikt als distributiecentrum voor obscure, zelfgemaakte blaadjes – fanzines genoemd. De essaybundel Below Criticial Radar beschrijft en analyseert die ondergrondse fanzine-beweging, waarin de meest bizarre tijdschriften een plaats vinden.

Een van de populairste fanzine-onderwerpen is het stripverhaal. De niet-commerciële strips, of `comix', of `alternative comics', zijn niet altijd goed getekend, maar snijden vaak onderwerpen aan die geen grote lezersaantallen garanderen. De hoofdredacteur en mede-oprichter van het gezaghebbende striptijdschrift The Comics Journal, Gary Groth, beschrijft de geschiedenis van de onafhankelijke strip in Amerika. Van de jaren dertig, via de jaren zestig (Robert Crumb, Harvey Kurtzman) tot de fraai uitgegeven boeken van Daniel Clowes en Chris Ware. Zij zijn nu doorgedrongen tot de mainstream, maar zonder concessies te doen. Groth is een oudgediende van The Journal, zoals het blad dat ooit zelf begon als een fanzine vaak liefkozend wordt genoemd, en hij is blijkens zijn artikel nog even strijdvaardig en anti-kapitalistisch als toen het in 1976 werd opgericht.

Dat jaartal wordt door de samenstellers ook als beginpunt genomen. Want toen begon de punkperiode en schoten de fanzines als paddestoelen uit de grond. De `do it yourself'-houding inspireerde velen tot het betere knip-en-plakwerk, waarvan Sniffin Glue het bekendste voorbeeld is. Nog steeds wordt die ruige esthetiek gebruikt, al kun je je tijdschrift met de computer net zo makkelijk een gelikt uiterlijk geven.

Die kenmerkende, onaangepaste esthetiek wordt volgens Steven Heller scherp in de gaten gehouden door de mainstream-media. Om zichzelf te vernieuwen wordt er af en toe uit het vaatje van de avant-garde getapt. Niets nieuws volgens Heller, want in de jaren twintig werd de esthetiek van de futuristen ook al gebruikt in Amerikaanse reclamecampagnes. Veel fanzine-makers (`zinesters') belanden als journalist of vormgever in de mediawereld, en het grote publiek moet nu en dan geprikkeld worden met iets onbekends, ook al is dat afkomstig uit een wereld die zich juist verzet tegen mainstream. Een fraai voorbeeld is een reclamecampagne van het kledingmerk Comme des Garçons, met stripboekplaatjes opgeblazen tot billboardformaat, om te mikken op wat de `wow, cool'-factor wordt genoemd.

Het anti-commerciële karakter van de fanzinecultuur wordt onder de loep genomen door Teal Triggs. Ze legt een link naar Naomi Kleins boek No Logo. De fanzines worden gemaakt en gelezen door dezelfde groep mensen die actie voeren tegen het mondiale kapitalisme. De logo's van multinationals zijn dankbare onderwerpen voor persiflages. De kracht van fanzines schuilt volgens Triggs in de `community' die zij bieden.

De stap naar het internet is dan niet ver meer. Ook daar doet het fenomeen van fanzines, of e-zines, zich voor, maar in veel grotere mate. Met een webpagina bereik je miljoenen. Below Critical Radar besteedt er nauwelijks aandacht aan, terwijl internet toch voor een flinke daling in het aantal gekopieerde blaadjes zorgt en daarom eindpunt van een periode wordt genoemd. De samenstellers van Below Critical Radar zijn er snel bij met het afbakenen van het fanzine-tijdperk en geven een compact en soms humoristisch overzicht van een voor velen volslagen onbekende wereld.

Roger Sabin en Teal Triggs: Below Critical Radar, Fanzines and Alternative Comics from 1976 to Now. Slab-O-Concrete, 112 blz. ƒ59,-