Dat is het!

Er zijn mensen die hun formaat te klein vinden en hard praten, omdat ze bang zijn dat anders niemand ze ziet staan. Ik las een boek van iemand van de laatste categorie: De hele wereld een vitrinekast. Het volkenkundig museum & de rest van de wereld van Boudewijn Büch. Een boek vol klemtonen, in de vorm van cursief, uitroepteken, `zoals ik heb aangetoond', `dat weet ik omdat ik zelf een exemplaar bezit', et cetera.

Ik omdat ik zelf. Uitroepteken.

De hele wereld in een vitrinekast is een interessant, zeer persoonlijk, luidruchtig boek. De wereld volgens Büch is een merkwaardige. Het lijkt alsof de mens er niet in mag bestaan. Hij zegt zelf, in een zowel voor psychologen als taalkundigen interessante zin: `Vaak raakte ik in een bepaalde staat van bijna onbeheersbare ontreddering bij de confrontatie met mensen, in het bijzonder met groepen mensen in verafgelegen streken.' Met boeken en dingen voelt Büch die ontreddering niet. Daar gaat De hele wereld in een vitrinekast dan ook over.

De hele wereld in een vitrinekast is een veelzeggende titel. Je stelt je tevergeefs voor hoe groot zo'n kast moet zijn en concludeert dat die kast op zijn minst propvol komt te zitten. Büchs boek is dat ook: tot aan de nok volgetast. De voornaamste reden is dat Büch niet kan kiezen. Hij vindt niet alles even mooi, maar vermeldt alles.

`Vier dagen nadat ik Harpers boek kocht, schafte ik mij in de boekhandel van het adembenemend mooie Royal British Columbia Museum te Victoria (Vancouver Island, Canada) Douglas Cole Captured heritage. The scramble for Northwest Coast artefacts (1985) aan. Het boek verscheen bij een uitgever die ik wèl kende: Douglas & McIntyre (Vancouver/Toronto, Canada).'

Laten we ons niet laten meeslepen door de karakterisering van het fenomeen Büch, want een fenomeen is het. De hele wereld in een vitrinekast is in die zin een fenomenaal werkje. In de eerste plaats vanwege de breidelloze nieuwsgierigheid die er uit spreekt, de eerste voorwaarde voor dieper denken. Büch komt daar weliswaar niet zelf aan toe – hij heeft er te veel haast voor – maar dat is ook goed. Zo blijft er voor de zelfwerkzame lezer iets te doen over. Büch heeft verder een sympathieke fascinatie voor rariteiten, uitzonderingen, curiosa, smeltkroezen en overgangssituaties. Hij spreekt ergens van `karakteristieke enclaves van culturele en historische chaos'. Die zoekt hij op en hij beschrijft ze vervolgens op chaotische, cultuur-historische manier. Zo komt hij terecht in een Indiaas `achterafhoekje', de voormalig Deense handelspost Tranquebar, `die direct grensde aan de Franse enclave Karikal, die op haar beurt weer' et cetera. Er is in het huidige Tranquebar `waanzinnig veel' te genieten, zegt Büch. `Alleen had ik achteraf zo graag gewild dat ik tijdens mijn bezoek al had kunnen beschikken over een fantastische aflevering van een Deens architectuurtijdschrift uit 1987: toen ik deze 240 bladzijden dikke aflevering eindelijk bemachtigde, bleek ik veel bouwsels en ruïnes niet als Deens herkend te hebben.'

Ik weet niet of het iedereen zo vergaat, maar ik raak ontroerd bij zulke regels. Ik geef dat eerlijk toe. Büch zelf schiet trouwens ook wel eens vol. Zo reisde hij naar het graf van de beeldschone Hawaïaanse prinses Ka'iulani: `Dáár heb ik op een verloren middag staan te snikken; ik geef dat eerlijk toe.'

Rariteiten, uitzonderingen, curiosa. Kannibalisme bijvoorbeeld. Büch harkte er een verbijsterende hoeveelheid boeken over bijeen, vertelt daar met smaak over, en besluit dit onderwerp vervolgens met een onnavolgbare samenvatting: `Mensen hebben in vorige eeuwen systematisch mensen opgegeten, maar waar en wanneer precies zal wel altijd een raadsel blijven. Knaagsporen in mensenbotten, kannibalistisch eetgerei en kookpotten met menselijke resten staan in menig museum tentoon. Dat is het.'

Klaar. Af. Verder. Over boeken over de lotgevallen van de achttiende-eeuwse nobele wilde uit de Stille Zuidzee Omai, over boeken over de kwestieuze poolreiziger Cook, de fop-indiaan Grey Owl, de imitatiecowboy Buffalo Bill, over boeken over het jongetje Minik, volgens Büch `wellicht de meest tragische eskimo [Inuit] uit de geschiedenis van de moderne mensenhandel', over boeken over `de tot dominee bekeerde Afrikaanse Moor' Eliza Captein (1717-1747). Over boeken over.

Natuurlijk, Büch is niet iemand die slechts in zijn bibliotheek reist. Hij verplaatst zich fysiek naar godvergeten uithoeken. Om daar dan weer onmiddellijk in boekhandel, museum of bibliotheek onder te duiken, weg van de mensengroepen. Pas als hij over een onderwerp alles heeft, is Büch tevreden. `Eindelijk dan is de dag aangebroken dat ik bedolven onder boeken en papieren het tragische of tragi-komische leven – ik weet niet goed wat het beste adjectief is – kan gaan beschrijven.'

De lezer van De hele wereld in een vitrinekast raakt onder Boudewijn Büchs boeken en papieren bedolven. Soms zit daar iets tragi-komisch aan. Er gaat beslist ook iets tragisch van een bijna onbeheersbaar ontredderde, mensenschuwe Büch uit. Maar sommige, hard pratende mensen bezitten een zeldzame, verbijsterende rijkdom. Dat is het.

Boudewijn Büch: De hele wereld in een vitrinekast. Het volkenkundig museum & de rest van de wereld. De Arbeiderspers, 263 blz. ƒ32,95