Woorden zoeken voor een gevoel

Een kunsthistoricus wordt geacht kunst objectief te benaderen. Maar kan dat als over smaak niet te twisten valt? Een krampachtige spagaat tussen wetenschap en gevoel is het gevolg.

Op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum/Kabinet Overholland te Amsterdam hangt op dit moment een aantal houtskooltekeningen van Juul Kraijer. Een van haar tekeningen is van een naakt Aziatisch uitziend meisje, op de rug gezien, dat de toeschouwer over haar schouder aankijkt. Haar ruggenwervels zijn veranderd in vogelkopjes.

De overige tekeningen hebben een soortgelijke sfeer: er is altijd een vervreemdend element aan de afgebeelde lichamen. Kraijer heeft op haar tekeningen veel details weggelaten, zoals de kleding, de omgeving en de uitdrukking in het gezicht. De figuren zijn verstild en verstard. Een vreemd gevoel van tijdloosheid overheerst.

De kunstenares zei onlangs in een interview dat ze geen verklaringen zoekt voor haar figuren die soms vergroeien met landschappen, soms met dieren en zo nu en dan met elkaar. De essentie van haar werk kan ze niet onder woorden brengen. Ze wil het ook niet.

Als kunsthistoricus word ik wel geacht om iets zinvols over een dergelijke voorstelling te zeggen. Waar begin je? Zoeken naar de context van het werk en vragen naar waar het allemaal vandaan komt. Wat ook kan is zoeken naar iets vergelijkbaars: je scant je `beeldende geheugen'. Het helpt weinig, want al is een associatie met Man Ray's befaamde strijkbout met spijkers snel gelegd, je hebt vogeltjes die uit de ruggengraat groeien nog nooit gezien.

Wat te doen? Je zoekt dan maar houvast in een interpretatie: waarom vinden mensen dit mooi? De kunsthistoricus is verplicht daar woorden voor te vinden. En hier beginnen de moeilijkheden.

Want kijken is in de eerste plaats beleven en jezelf confronteren met je emoties. Dat overkomt je, vaak ben je daar niet op voorbereid. Zeker niet als dat `beeldende geheugen' geen houvast biedt. De tekeningen van Juul Kraijer doen iets met je, ze maken iets los, maar je weet niet precies wat en waarom. Je wordt misschien stil ondanks de behoefte om iets te willen zeggen. Fascinerend, maar voor de kunsthistoricus tegelijkertijd frustrerend.

Jan Baptist Bedaux, docent `beeldende kunst tot 1800' aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, over het dilemma tussen gevoel en wetenschapsbeoefening: ,,Goede rococo kan fabelachtig mooi zijn en kan mij zeer ontroeren. Toch geven we er nauwelijks college over. Waarom? Waarschijnlijk spelen hier vooroordelen mee die we nog steeds hebben tegenover de achttiende eeuw: te sensueel, te decoratief, kunst voor de bonbontrommel. Daarbij komt dat, wat de Nederlandse situatie betreft, deze eeuw qua creativiteit moeilijk kan wedijveren met de daaraan voorafgaande Gouden Eeuw. Wat je studenten aanbiedt wordt dus deels door emotie bepaald.'

De kunsthistoricus maakt soms een mentale spagaat tussen gevoel en kennis, tussen zijn beleving en de rationele kant van zijn wetenschap. Natuurlijk, je kunt goed objectief onderzoek doen, allerlei dingen met zekerheid vaststellen. Voor de oudere kunst zijn er inmiddels goede onderzoeksmethoden ontwikkeld en vakkennis geeft de kunsthistoricus de bekwaamheid kunstwerken te herkennen en classificeren.

Maar ook bij werken die ogenschijnlijk eenvoudig te beoordelen zijn ontstaan moeilijkheden. Ook dan steekt emotie soms de kop op. Jan Baptist Bedaux: ,,Emotionele beleving valt goed te demonstreren aan de afschrijving van De man met de gouden helm als een Rembrandt. Op het moment dat het nog een Rembrandt `is', vindt het publiek het een geweldig schilderij. Maar zodra men vaststelt dat Rembrandt het schilderij niet zelf heeft gemaakt, loopt men er aan voorbij en weet het nauwelijks nog emoties los te maken. Emotie kan dus door een simpel bijschrift worden gestuurd. Overigens, afschrijvingen en toeschrijvingen mogen dan soms zuiver via wetenschappelijke procedures tot stand komen, maar als bijvoorbeeld blijkt dat een doek uit Rembrandts tijd stamt en de pigmenten van zo'n schilderij ook, dan is het laatste woord toch aan de kenner die op subjectieve gronden oordeelt.' Subjectiviteit wint het dus soms toch van wetenschap.

Ook voor de kunst van nú moet je bij een beoordeling de normen en methodes telkens bijstellen of opnieuw bedenken, een proces dat twijfel zaait. Manon Berendse is kunsthistorica en vindt dat twijfel een prima emotie is, ook in de wetenschap: ,,Die twijfel vind ik juist aantrekkelijk. Dat houdt het vak veerkrachtig. Als je alles zou kunnen benoemen, dan houdt het wat mij betreft op.' Over de subjectiviteit zegt ze: ,,Hoe persoonlijker je geraakt bent, hoe moeilijker het wordt om de beoordelingscriteria helder te houden. Je kan de subjectiviteit nooit helemaal uitsluiten. Dat vind ik juist heel interessant: steeds opnieuw naar betekenis zoeken binnen de grotere, veranderlijke context.'

Kunst leren begrijpen is leren kijken. Kijken, kijken en nog eens kijken. Dat zeggen de docenten, die aan dat kijken een reeks van vragen koppelen. En dan verwoorden: interpreteren en in de context plaatsen. Manon Berendse: ,,Zelf kritisch onder woorden brengen wat je ziet is heel lastig. Maar het is ook het boeiendste van het vak. Pas tijdens mijn stage werd me gevraagd: wat vind je hier nou van? Op dat moment blijkt of het je lukt uit te stijgen boven de kennis die je aangereikt is.'

Hoe moeilijk het verwoorden van waarnemingen is wordt ook nog eens onderstreept door de Franse dichter en essayist Valéry, die ooit zei: ,,We moeten ons verontschuldigen dat we over kunst durven spreken.' Paradoxaal staat dit citaat aan het begin van een meer dan zeshonderd pagina's tellend boek van Simon Schama, waarin hij bladzijde na bladzijde de zienswijze van Rembrandt probeert te ontrafelen.

Wat is hét recept om het gevoel met de wetenschap te verzoenen? Is de mentale spagaat, die emotie en wetenschappelijke distantie krampachtig moet verbinden, eigenlijk wel nodig? De beste kunsthistorici blijven met beide voeten op de grond staan. Al staat daarbij het ene been in het gevoel en het andere in de wetenschap en verschuift het lichaamsgewicht regelmatig van het ene op het andere stambeen. Zij doseren hun subjectiviteit, maar ontkennen haar niet.