Oneindig potentieel

In Canada ligt de grootste oliereserve ter wereld. De winning is lastig. De olie moet opgegraven worden. Toch hebben de oliemultinationals er miljarden voor over. Exploitatie `now makes economic sense'.

Halverwege de rit vanaf Fort McMurray, een stoffige olieplaats in het noorden van de Canadese deelstaat Alberta, naar een nog noordelijker gelegen bouwput van Shell, houdt opeens het wegdek op. De reusachtige graafmachines en rokende fabrieken van de olieproducenten Syncrude en Suncor liggen dan al een half uur rijden achter de rug. De laatste paar honderd meter asfalt vormen een brug met de veelzeggende bijnaam `brug naar nergens'. Verder noordwaarts gaat het, door een broeiend, bossig muggenparadijs, over een weg van zand, grind en modder. Dan markeert een bouwkeet de beveiligde ingang van het Albian-Sands-project – het meest ambitieuze bouwproject van Shell ter wereld.

Ongeveer 2.500 bouwvakkers werken op het uitgestrekte terrein aan een voor Shell baanbrekend industrieel complex. Hart van de operatie is een reusachtige rechthoekige put, waarin grote laadtrucks af en aan rijden. Steigers zo hoog als achtbanen zullen lopende banden en pijpleidingen dragen om de installaties van de toekomstige operatie met elkaar te verbinden: van een verpulveraar in het centrum van de put tot torenhoge chemische scheidingscentrifuges, tot gigantische oliereservoirs. Nu zijn het allemaal nog skeletten, omgeven door graafmachines, bouwketen, greppels en roestkleurige stukken pijpleiding. Maar over een jaar moet hier de olie vloeien die door Shell niet is aangeboord, maar opgegraven.

,,Dit is het grootste mijnbouwproject dat momenteel waar ook ter wereld in aanbouw is'', zegt Emilio Maestrini, hoofd bouwopzichter van Albian Sands, een veteraan van onder meer koper-, goud- en diamantmijnen in diverse werelddelen. ,,Wat we hier aan het bouwen zijn is een unieke combinatie van twee culturen: mijnbouw en olie'', zegt hij. Voor Shell is dat een nieuwe aanpak, benadrukt Maestrini: ,,Een mijnoperatie is even wat anders dan een pijp in de grond steken en olie aanboren.''

De mijn van Albian Sands vormt de helft van het zogeheten Athabasca Oil Sands Project, Shells ambitieuze stap in de `oliezanden' (of `teerzanden') van Alberta. Oliezanden bestaan uit een ondergronds mengsel van teer, water en zand, waaruit na opgraving en scheiding zogenoemd bitumen kan worden gewonnen. Bitumen is een dikke, stroperige vorm van ruwe olie, die op zijn beurt chemisch kan worden opgewerkt tot synthetische, lichte olie.

De open put vormt een bron van oliezand, die door graafmachines en trucks alvast is ontdaan van een bovenlaag van een meter of 25 gewone kleigrond. Huizenhoge trucks zullen de put de komende jaren laag voor laag uithollen, en uiteindelijk zal het gat met de overblijfselen van zand en klei weer worden gedicht. Deze vorm van oliewinning is uniek ter wereld; oliezanden komen ook op andere plekken op aarde voor, waaronder Rusland, maar alleen in Canada worden ze geëxploiteerd als alternatief voor conventionele olie.

Behalve de mijn van Albian Sands omvat het Athabasca-Oil-Sands-Project een nieuwe opwerkingsfabriek nabij Edmonton, 450 kilometer naar het zuidwesten – naast een raffinaderij van Shell. Een pijpleiding moet de nieuwe fabriek met de mijn verbinden.

Mijn en fabriek gaan samen meer dan 3,5 miljard Canadese dollar (ongeveer 5,4 miljard gulden) kosten – de grootste investering tot nu toe van Shell Canada. Dat heeft Shell er graag voor over om een deel te bemachtigen van 's werelds grootste oliereserve.

Jazeker, 's werelds grootste oliereserve. De oliezanden van Alberta bevatten naar schatting 1,8 biljoen vaten olie, ongeveer zevenmaal zoveel als de bekende reserves van Saoedi-Arabië. Ten minste 300 miljard vaten (van 159 liter) daarvan kunnen met bestaande technieken worden gewonnen – nog altijd zo'n vijftien procent meer dan Saoedi-Arabië's reserve. Het gebied van Shell bevat ongeveer zes miljard vaten, genoeg voor 50 jaar bij een geplande productie van 155.000 vaten per dag.

,,Het is een hele grote bron van olie, waar we niet naar hoeven te zoeken'', verklaart Neil Camarta, vice-president van Shell Canada, de miljardeninvestering in de oliezanden. ,,We kunnen er een lange tijd mee vooruit en kunnen de productie opvoeren tot meer dan 500.000 vaten per dag. En dat alles vlak naast de grootste markt ter wereld, de Verenigde Staten.'' En wat de Amerikanen betreft is Canada, vergeleken met de lidstaten van de OPEC, een prettig stabiele en betrouwbare bron (vorig jaar was Canada al de grootste buitenlandse olieleverancier van de VS, op de voet gevolgd door Saoedi-Arabië, Mexico en Venezuela).

Toch zit er een adder onder het gras: deze winning is aanmerkelijk lastiger, en dus duurder, dan de winning van conventionele olie. Sterker: hoewel de aanwezigheid van oliezanden in noordelijk Alberta al eeuwen bekend is (de lokale inheemse bevolking gebruikte het teer al in de achttiende eeuw om kano's waterdicht te maken), is de uitdaging in de twintigste eeuw altijd geweest om een economische manier te vinden om ze te exploiteren. De hamvraag: hoe scheid je de stroperige bitumen zo efficiënt mogelijk van het zand?

Het productieproces is in de afgelopen decennia in belangrijke mate ontwikkeld door de twee Canadese pioniers in de oliezanden: Suncor en Syncrude. Suncor, voorheen Great Canadian Oil Sands, een overheidsbedrijf, is de oudste exploitant van oliezanden. Het heeft zijn productie net opgevoerd tot ongeveer 225.000 vaten per dag en is bezig aan een expansie waarbij de productie per 2008 moet verdubbelen. Syncrude, een consortium van tien Canadese oliemaatschappijen, is de grootste exploitant. Het produceert zo'n 250.000 vaten per dag en is van plan om dat tussen nu en 2008 op te voeren tot 460.000 vaten. In beide gevallen gaat het daarbij om miljardeninvesteringen.

,,Het komt erop neer dat we het zand uit de olie wassen'', zegt Karen Saunders, woordvoerder van Syncrude, bij een rondleiding over het Syncrude-complex. ,,In feite zijn we een wasserij.'' Dit scheidingsprincipe werd in de jaren twintig uitgevonden door de Canadese scheikundige Karl Clark en maakt gebruik van het feit dat elk zanddeeltje uit oliezand is omgeven door een dun laagje water. Clark stopte letterlijk een kluit oliezand in een wasmachine, voegde bijtend soda toe en deed een warme was. Resultaat: na stopzetting zinkt het zand naar beneden en drijft de bitumen naar boven, met een laag troebel water in het midden.

Het beginsel is eenvoudig, en de scheidingsmethode is tot op heden de meest effectieve. Maar aan de uitvoering op industriële schaal zitten haken en ogen die investeerders decennialang hebben afgeschrikt. Om te beginnen moet er heel wat grond worden verplaatst voordat je een vat olie hebt. Bovendien kost het een hoop energie om al dat waswater op te warmen. Ten slotte zit je na scheiding nog maar met bitumen, en is verdere opwerking nodig om olie over te houden die geschikt is voor raffinage. En al dat wassen en watergolven kost bakkenvol geld.

De belangrijkste uitdaging van de oliezanden zit dan ook in verlaging van de productiekosten. Twintig jaar geleden kostte het Syncrude ruim 30 Amerikaanse dollar om een vat olie te produceren. Vorig jaar, na jaren van verfijning van het productieproces (de wastemperatuur is bijvoorbeeld gestaag verlaagd), was dat teruggedrongen tot 13 dollar per vat. Bij een olieprijs van tussen 20 en 30 dollar levert dat een gezonde winstmarge op, die de miljardeninvestering helpt terugverdienen. Maar de productiekosten per vat liggen in Alberta nog altijd bijna twee maal zo hoog als in Koeweit.

Niettemin zijn de oliezanden dankzij de baanbrekende ervaringen van Suncor en Syncrude inmiddels de moeite waard voor oliemaatschappijen als Shell, verklaart Camarta van Shell Canada. ,,Syncrude en Suncor hebben de kosten aanzienlijk omlaag gebracht door verbeteringen in technologie en productiviteit'', zegt hij. ,,Ze zijn steeds beter geworden in wat ze doen. Wij zullen er ook steeds beter in worden en de kosten zullen verder dalen.'' Daar komt bij dat aan oliezanden geen exploratiekosten verbonden zijn, terwijl conventionele olie al gauw een dollar of vier per vat besteedt aan het vinden van nieuwe bronnen. Voeg daaraan toe dat conventionele olie langzaam opraakt, en de oliezanden zijn op een keerpunt beland, zegt Camarta. Exploitatie ,,now makes economic sense.''

Shell is dan ook niet de enige nieuwkomer. Andere concerns, waaronder Exxon, Chevron en Texaco, willen eveneens een deel van de oliezanden. Investeringen ter waarde van 21 miljard Canadese dollar in verdere productiefaciliteiten zijn inmiddels in aanbouw of goedgekeurd. Een verdere 30 miljard aan plannen is in afwachting van vergunningen. Volgens Bill Almdal, hoofd van een organisatie in Fort McMurray die de groei van logistieke voorzieningen in goede banen leidt, ,,gaat de productie nu de lucht in''. In 2010 moet de winning uit oliezanden zijn opgelopen tot bijna twee miljoen vaten per dag, gelijk aan de huidige olieproductie van OPEC-land Nigeria.

Niet iedereen is gelukkig met die groei. Volgens milieuorganisaties is exploitatie van de oliezanden een van de meest vervuilende vormen van energiewinning. Zo zijn Suncor en Syncrude samen de vierde bron van CO2-uitstoot in Canada. Ook zetten zij vraagtekens bij het buitensporige verbruik van aardgas. In de enorme energiebehoefte van het productieproces wordt voorzien door elektriciteitsopwekking met aardgas, een schonere bron van energie dan de synthetische olie die het proces oplevert. Volgens Greenpeace Canada zouden de miljardeninvesteringen beter kunnen worden besteed aan schonere vormen van energie dan aan moeizamere bronnen van olie, die de Noord-Amerikaanse afhankelijkheid van fossiele brandstoffen alleen maar verlengen. Greenpeace bepleit ,,een stop op de uitbreiding van alle oliezandprojecten''.

Oliemaatschappijen werpen tegen dat ze hard werken aan het schoonmaken van hun productie. Honderden miljoenen dollars worden gestoken in onderzoek om de CO2-uitstoot terug te dringen. Dat lukt op een per-vat-basis, maar door de opvoering van de algehele productie gaat de netto-uitstoot intussen toch omhoog. Volgens sommigen zou alleen verscherping van overheidsrichtlijnen dat tij kunnen keren.

Philip Lachambre, vice-president van Syncrude, pleit tegen nieuwe productiebarrières. ,,We moeten concurrerend blijven met de lage-kostenproducenten van de OPEC. Landen als Saoedi-Arabië, Mexico en Venezuela zijn niet gebonden aan verplichtingen over klimaatverandering. Wij kunnen ons daarom geen extra kosten veroorloven voor klimaatbeleid.''

Het punt is dat de industrie zelf constant op zoek is naar verbetering, zegt Lachambre. Van de vier miljard Canadese dollar die Syncrude besteedt aan het derde stadium van zijn huidige uitbreiding, is een kwart, dus één miljard, bestemd om het productieproces schoner en energiezuiniger te maken. ,,Wij willen niets liever dan de hoeveelheid energie die nodig is om een vat olie te produceren, omlaagbrengen,'' zegt hij. ,,We blijven daaraan werken om de concurrentie met andere olieproducenten direct aan te kunnen.''