Moderniseringsbank voor de islamitische wereld

e pakketten met bruine bonen, rijst, fruitrepen, pindakaas en aardbeienjam die Amerikaanse transportvliegtuigen boven Afghanistan hebben afgeworpen, doen denken aan de voedseldroppings van de geallieerden in Nederland in 1945. Ze hebben meer dan een symbolische betekenis om de hongersnood in Afghanistan te bestrijden. De voedselpakketten vormen de opmaat voor vervolgacties. Na de strijd tegen het terrorisme komt namelijk de strijd tegen het fundamentalisme en daarvoor moeten andere middelen worden ingezet dan wapens.

De islamitische wereld zal tot het inzicht moeten komen dat haar toekomst niet ligt in voortgaande oproepen tot een heilige oorlog tegen het Westen en evenmin in opgeklopte haat jegens de Verenigde Staten. In deze tijd van mondiale verwevenheid hebben landen geen baat bij afzondering maar bij aansluiting, niet bij een gesloten wereldbeeld van fanatisme onder de banier van de islam, maar bij omarming van politieke en economische vrijheid. Daartoe is het nodig om in de plaats van de politieke islam, een explosief mengsel van religieus fundamentalisme en anti-westerse sentimenten, economische ontwikkeling en politieke openheid te bevorderen.

De Amerikanen moeten niet de fout begaan die ze in 1991 maakten. Toen bevrijdden de geallieerden Koeweit, versloegen ze Irak, maar bleef Saddam Hussein in Bagdad aan de macht. Irak werd onderworpen aan een olie-embargo dat het land beroofde van zijn inkomstenbron, en economische sancties die de bevolking in ellende hebben gedompeld. Deze sancties zijn de aanleiding voor niet-aflatende verbittering jegens het Westen. Ze versterken de martelaarsrol van Saddam; de situatie in Irak is er niet beter op geworden. Na Afghanistan moet het anders.

In 1919 schreef John Maynard Keynes, toen begin dertig, zijn beroemd geworden pamflet The economic consequences of the peace. Keynes was als ambtenaar van het Britse ministerie van Financiën aanwezig geweest bij de onderhandelingen met Duitsland over het Verdrag van Versailles dat de vrede na de Eerste Wereldoorlog beklonk. De overwinnaars eisten van het verslagen Duitsland verregaande economische ontmanteling. Dit vormde een voedingsbodem voor de opkomst van het nazisme en leidde mede tot de Tweede Wereldoorlog.

Keynes schreef een kritiek op de kortzichtigheid van de geallieerden ten aanzien van de herstelbetalingen waartoe ze Duitsland verplichtten. Volgens hem moest een verslagen land niet verder worden geruïneerd, maar zo spoedig mogelijk worden opgebouwd. ,,We moeten het vertrouwen behouden in een vernederde vijand en we moeten het herstel van Europa als geheel nastreven'', aldus Keynes. Daarvoor, schreef hij, was het nodig de publieke opinie te veranderen. ,,De verduidelijking van de waarheid, de ontmaskering van illusies, de verdrijving van haat, de verbreding en verdieping van de menselijke geest zijn daartoe de middelen.'' Dat waren profetische woorden.

Na de Tweede Wereldoorlog hadden de Amerikanen hun les geleerd. Ze richtten naar een plan van Keynes het Internationale Monetaire Fonds (IMF) en de Wereldbank op. Ter beteugeling van de communistische expansie in West-Europa kwam de Marshallhulp. De aldus gefinancierde naoorlogse wederopbouw werd een succes: West-Europa, inclusief West-Duitsland, begon een proces van economische en politieke eenwording met vijftig jaar van nagenoeg ononderbroken welvaartsgroei als resultaat.

Toen in 1989-'91 de Sovjet-Unie en haar communistische satellietstaten in elkaar ploften, kwam het Westen opnieuw over de brug. Naast steun van de bestaande instituties IMF en Wereldbank werd de Oost-Europabank opgericht om de democratie te versterken, de communistische verwevenheid van partij en samenleving te verbreken en het economische omschakelingsproces te bespoedigen. Hoewel er het nodige is misgegaan met de hulp aan de ex-communistische landen, moet na tien jaar worden vastgesteld dat het al met al behoorlijk heeft gewerkt.

Willen de westerse landen na de gewonnen oorlog tegen het communisme ook de oorlog tegen het fundamentalisme winnen, dan zullen ze voor een soortgelijke aanpak moeten kiezen. Er zou, naar analogie van de Oost-Europabank, een Moderniseringsbank voor de islamitische wereld van West-Afrika tot de Oost-Aziatische archipel opgezet moeten worden met als doel om de omschakeling van landen in de greep van gesloten systemen naar open samenlevingen te bevorderen. Het kapitaal voor zo'n bank kan worden opgebracht door de westerse landen plus de olierijke staten in het Midden-Oosten. De Moderniseringsbank zou sociaal-economische opbouwplannen moeten opstellen, gericht op versterking van de markteconomie. Economische hulp zou, net als bij de Oost-Europabank, gekoppeld moeten worden aan de bevordering van democratisch bestuur. Daarnaast zou hulp verstrekt moeten worden die is gericht op armoedevermindering en op het gebied van menselijke ontwikkeling met nadruk op onderwijs voor meisjes, terugdringing van de achterstelling van vrouwen en programma's voor beperking van de bevolkingsgroei.

Op het ideologische vlak zouden dialogen met intellectuelen en geestelijken en culturele uitwisselingen op gang moeten komen om misvattingen, haat en afgunst jegens het Westen en omgekeerd weg te nemen.

Dit zijn ambitieuze voorstellen en ze zullen veel weerstand oproepen. Maar wat in de ex-communistische landen in tien jaar is bereikt op het gebied van open samenlevingen, geeft aan dat verandering mogelijk is. De kosten vallen in het niet bij wat aan menselijke waardigheid behouden kan blijven en wat gewonnen kan worden aan welvaart. Laat er geen tweede twin tower-tragedie voor nodig zijn om een stap in deze richting te zetten.

rjanssen@nrc.nl