Meer geld nodig voor eigen onderzoek

Begin oktober bracht het Centraal Planbureau (CPB) een document uit over `Mogelijkheden en beperkingen van overheidsinvesteringen: analyse ten behoeve van de Verkenning Economische Structuur' (zie www.cpb.nl). Dat bevat de verbijsterende uitspraak dat investeren in het kennisgenererende vermogen van Nederland maar in beperkte mate nodig is. Als de overheid die opvatting zou volgen, zet dat de Nederlandse economie internationaal op achterstand.

Het CPB constateert dat de onderwijsuitgaven relatief laag zijn, maar dat ons land op het gebied van opleidingsniveaus en prestaties toch goed scoort. Dat de overheid al veel geld aan het hoger onderwijs uitgeeft. Dat dat ook geldt voor de nieuwe impuls voor ICT in het onderwijs. Dat de Nederlandse onderzoeksprestaties bovengemiddeld zijn. Daarom zou verhoging van uitgaven kritisch bekeken moeten worden en niet direct voor de hand liggen. Vervolgens stelt het rapport: ,,Het belang van R&D [speur- en ontwikkelingswerk] is dus zeker niet te veronachtzamen, maar per saldo verschuift de balans richting diffusie'' van kennis. Daarmee wordt bedoeld dat het kleine Nederland zijn kennis vooral van elders moet halen.

Dat is een blunder. De CPB-economen onderschatten hoe processen rondom onderzoek, technologie en innovatie werken. Actieve overdracht of diffusie van nieuwe kennis en technieken vindt vooral plaats tussen partijen die elkaar iets te bieden hebben. Dat betekent dat je ook zelf moet investeren in kennisontwikkeling. Doe je dat niet, dan word je internationaal oninteressant. Dan verlies je bijvoorbeeld voor directies van `Nederlandse' multinationals een cruciaal argument om hun laboratoria hier te houden en niet naar India of China te gaan los van de gratis faciliteiten die die landen bieden.

Het is verontrustend dat de CPB-economen allerlei politieke en maatschappelijke signalen niet oppikken. Op de Europese `dotcom'-top in maart 2000 spraken onze premiers over ,,the challenges of a new knowledge-driven economy''. Geschrokken van het in vergelijking met de VS en Japan relatief kleine aantal bèta's en technici was de boodschap: meer banen in de R&D.

Deze zomer publiceerde de OESO een werkdocument over R&D en productiviteitsgroei in zestien OESO-landen, met als een van de conclusies: ,,The effect of government and university performed research on productivity is positive and significant, and outweighs the cost of public research.'' Bovendien draagt publiek gefinancierd onderzoek, volgens de OESO, meer aan de productiviteitsstijging bij dan onderzoeksuitgaven in de industrie!

Ook in eigen land zijn er signalen. Vorig jaar hield oud-minister Wijers een inspirerende Den Uyl-lezing, getiteld `De aaibaarheid voorbij: kenniseconomie vraagt om fundamenteel andere inrichting van de samenleving'. Volgens hem moeten we uitkijken niet een renteniersnatie te worden, in plaats van een bloeiende kenniseconomie. Verder stelde hij: ,,De kenniseconomie vraagt om hoogopgeleide werknemers. Voor groepen die niet aan de steeds hogere eisen aan kennis en vaardigheden kunnen voldoen, gaapt de digitale kloof. Het gevaar van uitsluiting uit het arbeidsproces en daaraan gekoppeld sociale uitsluiting ligt op de loer.''

Kennelijk vinden de CPB-economen dat je voor een dubbeltje op de eerste rij kunt zitten. Dat is een gevaarlijke houding. Volgend voorjaar moet een aantal politieke partijen weer een regeerakkoord in elkaar timmeren. In het belang van de Nederlandse economie moet onderzoek (ontwikkelen van kennis) en onderwijs (overdragen van kennis) een prominente plaats in het akkoord krijgen.Voor politici is het CPB een gezaghebbende instantie. Het wordt tijd dat andere gezaghebbende economen het CPB hierop aanspreken en wel zo duidelijk dat de politici zich dat komend voorjaar herinneren.

Hans Chang is directeur van FOM, de nationale onderzoeksorganisatie in de natuurkunde.