Let's twiest aggèn!

Dansen heeft lange tijd weerstand opgeroepen in Nederland. Sterker nog, tot 1924 was in Amster- dam dansen verboden. Fysiek plezier en de calvinistische maatschappij lagen elkaar niet zo, leert de tentoonstelling Dansen, dansen, dansen in het Amsterdams Historisch Museum. Anno 2001 zou je bijna terugverlangen naar die spannende tijd.

Mannen met jasje-dasje en vrouwen met keurige kokerrokjes hebben plaatsgenomen op hun stoelen achter het podium. Op het plankier staat een band. Een jonge Johnny Halliday staat er zelfverzekerd voor: kort haar met bescheiden kuif, strakke broek, kort jasje, western-strikje om de nek, wijdbeens. Bij de eerste maten blijft iedereen nog braaf zitten, maar daarna staan de eerste toeschouwers op en begint men voorzichtig mee te swingen en te klappen. Halverwege het nummer vindt het heupwerk van Halliday al volop navolging. Suppoosten van het Concertgebouw proberen het publiek zacht doch beslist terug in de stoelen te duwen of in elk geval ervoor te zorgen dat de heupbewegingen van de toeschouwers niet te heftig worden. Een man die aan hun aandacht ontsnapt en op het podium staat, neemt een beschaafde stagedive als hij wordt weggestuurd. Het is 1963 in het Concertgebouw van Amsterdam en Halliday zingt `Let's twiest aggèn'.

Het filmpje op de tentoonstelling `Dansen, dansen, dansen' in het Amsterdams Historisch Museum ziet er welbeschouwd behoorlijk braaf uit. Geen gillende meisjesfans als bij de Beatles, geen wezenloze trance als op hedendaagse houseparties. Het zwart-wit filmverslag roept gemengde gevoelens op: het enthousiasme en het plezier waarmee nieuwe muziek wordt begroet is aanstekelijk en jaloersmakend, en tegelijkertijd bekruipt je een gevoel van mededogen bij het zien van de bijna wanhopige motoriek van al die mannen en vrouwen, die zich uit alle macht lijken te willen bevrijden van een periode vol muffe jaren-vijftig-moraal. In 1963 stond de onderbuik van Nederland op barsten, zoveel is wel duidelijk.

Zo'n filmpje illustreert aardig de positie van de dans in Nederland. Dansen is onlosmakelijk verbonden met de onderbuik. Een excuus voor lichamelijk contact tussen mannen en vrouwen, fysiek plezier, gesublimeerde seks en in onze calvinistische maatschappij dus altijd omgeven door een aura van zonde en zedenbederf.

Elke nieuwe dans heeft altijd weerstand opgeroepen, zegt theaterhistoricus Joost Groeneboer, initiatiefnemer en samensteller van de tentoonstelling en auteur van een boek-in-wording over danscultuur in Amsterdam. ,,Dat was al zo met de 19de-eeuwse wals en later met de polka, de tango, de charleston, en ga maar door. De dans, de mode die erbij hoorde en het zedenloze gedrag dat volgens de tegenstanders daar het gevolg van was. De overheid heeft constant gepoogd de danszalen aan te pakken, tot ver in de twintigste eeuw tot aan de sluiting van de It en de Mazzo toe. Vroeger werd betoogd dat gelegenheid tot dansen, net als prostitutie en kermissen, het gezinsleven in gevaar bracht. Er verschenen cartoons van moeders die naar een thé-dansant gingen, terwijl de baby huilde en opa op sterven lag, dat soort dingen. Nu is de bezorgdheid meer drugsgerelateerd.''

De weerstand tegen en de omarming van allerlei soorten dansculturen in Amsterdam tussen 1900 en 2000 vormen een rode draad in Dansen, dansen, dansen, de feestelijke tentoonstelling die ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het Amsterdams Historisch Museum is georganiseerd. Met foto's van artiesten, bladmuziek, draaitafels, affiches, jukeboxen, kleding (oude baljurk, charleston-jurk, gehaakte body-stocking van Penny de Jager, kleding van de `Amsterdamse Elvis' Pim Maas, new wave- en andere uitgaanskleding), film- en geluidsfragmenten, zijn de dansrages van tango tot house tot leven gebracht.

In de jaren '10 van de vorige eeuw raakte Europa in de ban van de tango, een wulpse dans die de gemoederen hoog deed oplaaien. In Amsterdam was de tango alleen in het theater te zien. Terwijl iedereen in Den Haag en Rotterdam openlijk de tango en two-step danste, was het namelijk tot 1924 in Amsterdam verboden in het openbaar te dansen. Dansen werd onzedelijk gevonden en een bedreiging voor het gezin. De bezwaren werden gestaafd door deskundigen: dokters vonden het slecht voor de gezondheid, psychologen slecht voor de geest, pedagogen slecht voor de moraal. Er werd niet gepraat over dansen, maar over het Dansvraagstuk.

Terwijl in de 19de eeuw de gewone Amsterdammer aangewezen was op obscure danskroegjes, vermaakte de gegoede burgerij (waaronder overigens ook het stadsbestuur) zich in de balzaal op streng besloten bals, waar een strenge etiquette gold. De quadrille en andere dansen die op het programma stonden, werden vooraf door de dames in hun balboekje besproken. Losser ging het toe op de mondaine bals in het Paleis voor Volksvlijt rond 1900. Daar walste vooral de betere middenstand in het rond. Natuurlijk fluisterde men dat daar veel `demi-mondes', dames van lichte zeden, naar gelegenheid zochten. Er was slechts één uitzondering op het Amsterdamse verbod voor het dansen in openbare gelegenheden: een groot aantal `legale' danshuizen en -kelders in de Nes en aan de Zeedijk, getolereerd omdat passagierende matrozen er hun vertier zochten. Maar de danshuizen waren ook erg in trek bij de fabrieksjeugd. Meisjes uit de Jordaan dansten er met elkaar.

Met een snel toenemende bevolking groeide de behoefte aan vermaak. Onder druk van onder meer de SDAP gaf burgemeester De Vlugt, die door de pers zelf al was betrapt op een dansje, in 1924 de eerste dansvergunningen. Maar regels bleven er. Van de charleston bijvoorbeeld vond men dat de benen te hoog in de lucht werden gegooid. Op de dansvloer werd hij daarom alleen in gekuiste vorm geaccepteerd. Verder bestonden er regels over de afstand tussen de dansvloer en het publiek (met een koord ertussen) en het aantal dansparen op de vloer (één paar per vierkante meter). Leraren van dansscholen zagen erop toe dat er volgens internationale normen, dat wil zeggen die van Engeland, werd gedanst. De foxtrot, wals en tango werden gestandaardiseerd en daarmee gefatsoeneerd. Na de oorlog deden ze hetzelfde met de twist en de rock & roll. Hilarisch is een filmpje waarop te zien is hoe bij dansschool Ponne een dans `met een speciaal ritme, beter bekend als de twist' stijfjes en keurig synchroon moest worden gedanst. Een ander filmpje laat zien hoe in 1957 een rock & roll-wedstrijd wordt georganiseerd om, zoals de Polygoon-stem zegt, ,,deze dans in goede banen te leiden''. De wedstrijd moest bovendien ,,bewijzen dat rock & roll niet gepaard behoeft te gaan met relletjes en baldadigheid''. En dat alles als ,,prachtig middel om de jeugd haar overtollige energie te laten kwijtraken''.

Speciale aandacht is er ook voor een ander soort repressie: die van zwarte muziek. In 1936 verschenen de eerste zwarte cabarets in Amsterdam, maar omdat de zwarte bediening zich af zou geven met de blanke Amsterdamse bezoeksters, werden de dancings nog geen jaar later op last van de politie gesloten. Toen Amerika zich in de oorlog mengde, kwam er een verbod op jazzmuziek. Dansorkesten omzeilden dit door woorden als `swing' door `rhythme' te vervangen.

Is op de benedenverdieping van het Amsterdams Historisch Museum de tentoonstelling vooral klassiek-historisch ingericht, boven is vooral geprobeerd de sfeer van het dansen te vangen. Op een grote dansvloer worden schimmen geprojecteerd op voile doeken, die de passen van de verschillende dansen laten zien. Gedurende de hele tentoonstellingsperiode worden hier workshops en `levende lezingen' gehouden.

De ervaring van een eeuw dansgelegenheden en dansgeschiedenis is hier zichtbaar gemaakt: vanaf de tango uit de jaren '10, via de charleston en de shimmy uit de jaren '20, de jazz, de Hokey Pokey en de Lambeth Walk uit de jaren '30, de jitterbug van de bevrijding in '45, de rock & roll (met `dijkers' en de artistiekere, meer op jazz georiënteerde `pleiners') van de jaren '50, de flower power van de jaren '60, en achtereenvolgens soul, symfonische rock, disco, punk (de pogo!) en new wave, tot de house (met de Nederlandse gabberhouse-variant) naast salsa, flamenco en tango in de jaren '90. Elke bezoeker moet ten minste één geweldige Aha-erlebnis hebben welke, dat is afhankelijk van je leeftijd.

Speciaal voor de tentoonstelling heeft dj Eddy de Clercq, die overigens voor de laatste veertig jaar enorm veel materiaal aan de tentoonstelling heeft geleverd, een selectie van hits gemaakt zoals die de laatste decennia op de dansvloer te horen waren. Met een druk op de knop aan een draaitafel kun je die tevoorschijn roepen in je koptelefoon. Dansen mag.

Aandoenlijk is het verslag van het uitgaansleven van twee Amsterdamse tieners, die afgelopen zomer van het museum een digitaal cameraatje meekregen waarmee ze zichzelf filmden. Surinaamse Paul zit op het Grafisch Lyceum in Amsterdam maar wil een beroemde danser worden. Gymnasiumleerlinge Gijsje gaat graag naar Paradiso en de Melkweg. Je ziet ze op weg naar de discotheek, swingend op de dansvloer of gewoon thuis op de bank en voor de spiegel.

Even chillend op een loungebankje aan het eind van de tentoonstelling, blijft dat beeld van die tieners op hun kamertje hangen. Ze leven goedbeschouwd in grote vrijheid. Oké, er loopt weleens een houseparty uit de hand en er wordt weleens een discotheek gesloten, maar Gijsje en Paul hebben geen vierkantemeter-restrictie op de dansvloer en weinig weerstand van hun ouders tegen hun kleding of gedrag. Het zou me niets verbazen als de ouders van grachtengordelmeisje Gijsje 's avonds een van de vele Amsterdamse tangosalons zouden bezoeken want honderd jaar na de eerste opschudding geldt het dansen van de tango als bijzonder chic. Het lijkt wel of de onderbuik van Nederland is uitgeraasd en niet veel meer verlangt. Je zou bijna verzuchten: Let's twiest aggèn!

Expositie `Dansen, dansen, dansen; Amsterdam 1900-2000', 19 okt t/m 13 jan, Amsterdams Historisch Museum, Kalverstraat 92 / Nieuwezijds Voorburgwal 357. Open: ma t/m vr 10-17u, za/zo 11-17u. Inl 020-5231822 en www.ahm.nl