Handen en hoofden

Stilletjes loopt een kwart eeuw onderwijsvernieuwing ten einde. Het idee van een middenschool is nu dan toch op sterven na dood. In pure vorm is de middenschool, een politiek doel van oud-minister Van Kemenade (Onderwijs, PvdA) en het kabinet-Den Uyl (1973-1977), er nooit gekomen. Maar in een verwaterde variant leek Van Kemenade in 1993 een beetje gelijk te krijgen toen zijn leerling Wallage als PvdA-staatssecretaris in het kabinet-Lubbers III een meerderheid verwierf voor de basisvorming in het voortgezet onderwijs.

De basisvorming was geen echte middenschool, omdat het onderscheid tussen de verschillende schooltypen (vbo, mavo, havo, vwo) niet werd opgeheven. Maar de achterliggende plannen leken er wel op: een breed lespakket voor alle kinderen tot en met de derde klas van de middelbare school en uitstel van selectie. Het argument elders wordt niet zo vroeg geselecteerd op niveau als in Nederland was een van de bijkomende motieven voor de meerderheid van de Tweede Kamer om overstag te gaan. Dat de Nederlandse onderwijstraditie sinds de invoering van de Hogere Burgerschool (hbs) al afwijkt van landen waar de standenmaatschappij aanzienlijk dieper in het onderwijs heeft ingegrepen, werd over het hoofd gezien.

Ouders en kinderen hadden na de invoering van de basisvorming snel door dat er iets niet klopte. Voor de leerlingen op havo/vwo-niveau was de basisvorming niet interessant genoeg, voor de leerlingen op vbo/mavo (thans vbmo) daarentegen te ingewikkeld. Het eerste gevolg: iedereen ongelukkig. Het tweede gevolg: veel ouders vluchten met hun kinderen naar categorale scholen, om de neerwaartse werking van de basisvorming te omzeilen, kortom, doen precies het omgekeerde van wat de hervorming beoogt.

Wat menigeen intuïtief voelde, heeft de Onderwijsraad deze week in een serieus evaluatierapport grotendeels bevestigd. Volgens de raad moet het curriculum van de basisvorming worden aangepast aan de realiteit dat er kinderen zijn die liever met hun handen en kinderen die beter met hun hoofd leren. De raad pleit daarom voor beperking van de basisvorming tot twee jaar, minder verplichte vakken en meer differentiatie, kortom, voor een vorm van selectie.

Staatssecretaris Adelmund (Onderwijs, PvdA) onderkent dat. In een brief aan de Tweede Kamer heeft ze afgelopen dinsdag vastgesteld dat het advies haar ,,op hoofdlijnen aanspreekt''. Omdat ze beseft dat het terugdraaien van hervormingen het onderwijs voor de zoveelste maal belast, wil ze wel behoedzaam te werk gaan.

Keuze en aanpak van Adelmund verdienen waardering. Dat ze het onderwijs niet wil opzadelen met een karrenvracht nieuw beleid en het bij de aanpassingen wil betrekken, wijst op realiteitszin. Dat ze bereid is een welhaast heilig dogma van haar eigen partij te onttakelen, getuigt van politieke moed.