Geen enkele cultuur is absoluut

Filosoof Paul Cliteur sprak zich afgelopen dinsdag op deze pagina uit tegen het cultuurrelativisme. Zelfs als het begrip cultuur duidelijk is afgebakend is dit een hachelijk standpunt, meent Sjoerd de Jong.

Keiharde relativisten spreken zichzelf tegen. Hun beginsel `alles is relatief' kan immers zélf niet ook relatief zijn, en zo belandt de relativist in een fatale contradictie. Dit weinig opzienbarende inzicht wordt door Paul Cliteur gebruikt om de tekortkomingen van het cultuurrelativisme aan te tonen, en te pleiten voor de stelling dat culturen níet gelijkwaardig zijn, en dat oordelen over een `hele' cultuur mogelijk zijn, wenselijk en zelfs onontkoombaar (Opiniepagina, 16 oktober).

Dat klinkt heel aannemelijk, zeker nu de reacties op `11 september' opnieuw hebben aangetoond dat niet iedereen het aangename, tolerante zelfbeeld van het Westen onderschrijft. En Cliteur heeft gelijk: tolerantie betekent niet dat je geen eigen oordeel zou mogen uitspreken over andere opvattingen of gewoonten. Ook dat is trouwens een weinig schokkend inzicht, want, zoals Cliteur opmerkt, in het dagelijks leven bezigen we voortdurend zulke oordelen.

Toch is Cliteurs betoog onhelder. Om te beginnen maakt hij niet duidelijk wat hij verstaat onder een `cultuur' en laveert hij daardoor onbekommerd tussen ongelijksoortige grootheden als `de Arabische cultuur' (een linguïstische categorie), `de hindoeïstische cultuur' (een religieuze aanduiding), en zelfs `de cultuur van het Derde rijk' (een politieke cultuur?). Daarnaast blijft onduidelijk of Cliteur simpelweg wil kunnen beweren dat er, bijvoorbeeld, culturen bestaan die niet vriendelijk zijn voor vrouwen, (maar waarom zou hij dat niet mogen?) of dat hij vindt dat zoiets min of meer objectief kan worden vástgesteld. In elk geval bepleit hij de legitimiteit van rangschikkende oordelen over `culturen', zoals die van Berlusconi, die de Westerse cultuur superieur noemde aan de islamitische (en niet, zoals Cliteur het dit keer wat zwakjes parafraseert, er `zijn voorkeur' voor uitsprak).

Dit pleidooi van Cliteur is hachelijk, zelfs als het begrip cultuur duidelijk is afgebakend. Laten we uitgaan van een grote, rijke historische cultuur als de Europese of de islamitische: eeuwenoud, pluriform, divers, innerlijk tegenstrijdig en zelfs verdeeld. Hoe zou een oordeel over niveau, rangorde of waarde van die `hele' Europese cultuur moeten luiden, van heksenverbrandingen tot kernfysica, Shakespeare tot Spice Girls, Einstein en Europees Parlement tot Hitler en inquisitie, enzovoorts? Er is geen Archimedisch punt waarvandaan complete culturen kunnen worden beoordeeld en vergeleken; mensen zijn nu eenmaal niet alwetend. Dat noopt tot bescheidenheid.

Zulke apodictische oordelen over een `hele' cultuur kunnen ook niet voor niets altijd worden teruggekaatst. De Arabische cultuur vrouwonvriendelijk? En een cultuur dan waarin vrouwen in tijdschriften of achter het raam te huur worden aangeboden? De islam een `nefaste, verderfelijke' religie? En een werelddeel dan, dat fabrieksmatig mensen heeft vernietigd in een raciale holocaust? Zo staan we juist door absolute uitspraken sprakeloos tegenover elkaar, precies de impasse waar volgens Cliteur het cultuurrelativisme op uitloopt.

Waarom zouden we die weg inslaan? Voor een oordeel over bepaalde aspecten van een cultuur, is het helemaal niet nodig. Als Cliteur vindt dat de islam `niet vriendelijk is' voor vrouwen (in een televisie-column sprak hij trouwens wat concreter over vrouwenbesnijdenis en het afhakken van handen), kan hij dat, op grond van argumenten, als zodanig afkeuren. Als hij een band wil leggen met de koran, moet hij die zoeken. Maar zodra we zulke standpunten het volume geven van een soeverein oordeel over een `hele' cultuur, zijn we terug in de tijd van de godsdienstoorlogen.

Bovendien is lastig in te zien, welke consequenties of daden verbonden zouden zijn aan oordelen over `hele' culturen. Als we er nu eens van uitgaan dat we inderdaad complete culturen kunnen beoordelen en rangschikken, dan zou een wetenschapper op zijn minst rekening moeten houden met de mógelijkheid van een hem persoonlijk onwelgevallige conclusie. Bijvoorbeeld: `Ja, bij deze is objectief vastgesteld dat de islamitische cultuur, als geheel, superieur is aan de westerse.' Zou Cliteur rekening houden met die mogelijkheid? En vooral: wat zou hij in dit onfortuinlijke geval doen? Zich bekeren?

Vast niet, en dat is het punt van een genuanceerd cultuurrelativisme. Extreem geformuleerd, valt dit ten prooi aan het euvel van waarheidsrelativisme: het loopt vast in een performatieve tegenspraak. Maar er is een minder abstract, belangrijk inzicht dat het cultuurrelativisme probeert te verwoorden: de pointe dat oordelen over andere culturen plaatsvinden vanuit een eigen culturele context en niet vanaf een neutraal standpunt. Dat wil nog niet zeggen dat communicatie, en dus oordelen over elkaar, onmogelijk is. Juist een liberaal zou dat moeten waarderen: het liberalisme dat Cliteur uitdraagt is een vorm van levensbeschouwelijk relativisme, waarin de plaats van culturen wordt ingenomen door individuen.

Europa heeft revolutionaire ideeën voortgebracht – een liberale politieke cultuur, de universele mensenrechten – die we iedereen toewensen. Daarin heeft Cliteur gelijk. Het beste wat we kunnen proberen, is de rest van de mensheid die ideeën aan te praten, en de omstandigheden creëren waarin ze wortel kunnen schieten. De slechtste manier om dat te bereiken is, zoals Cliteur zondag in Buitenhof deed, te suggereren dat mensenrechten een eeuwig Platoons idee zijn die door ons is `ontdekt', net als de wet van de zwaartekracht. De implicatie daarvan is dat wíj rationeel zijn en de rest van de mensheid achterlijk, geen bepaald gelukkige manier om een ander te overtuigen.

Cliteur hoopt op een vergaande secularisering van religies als de islam. Dat is mooi, vroom zelfs. Maar juist het cultuurrelativisme, de erkenning dat er niet één zaligmakend gelijk is, is daarin een stap.

Sjoerd de Jong is redacteur van NRC Handelsblad.

tekst artikel cliteur www.nrc.nl