Dan maar niet volwassen worden

Wat gebeurt er als je van je passie je vak maakt? Juicht de voetbalverslaggever nog als `zijn club' scoort, of staat professionaliteit emotie in de weg? Een gesprek met twee sportverslaggevers.

For alarmingly large chunks of an average day, I am a moron, concludeert sportliefhebber en auteur Nick Hornby in zijn boek Fever Pitch. Het boek draait om zijn liefde voor zijn club Arsenal, en over zijn inspanningen de verjaardagen van de basisspelers uit zijn hoofd te kennen. Het is wat elke voetbaljournalist als jongen deed, toen de sport nog simpelweg een passie was. Zodra de passie een beroep wordt en wedstrijden analyseren een routine, welke plek krijgt de emotie dan? De meningen lopen uiteen. De een vindt dat sportjournalisten zakelijk moeten blijven, de ander stelt dat sport nu eenmaal emotie ís.

,,Ik weet toevallig wel wanneer keeper Fred Grim jarig is', stelt Simon Kuper quasi tevreden vast, als reactie op Hornby's boek. Kuper (geboren in Zuid-Afrika, zijn middelbareschooltijd doorgebracht in Nederland) is voetbaljournalist van de Engelse krant The Observer en geeft toe dat voetbal voor hem nog altijd een obsessie is. Hij vertelt over nachten die hij met vrienden doorbrengt door essentiële vraagstukken op te lossen als `wie gaf de pass waaruit Maradona scoorde tegen Engeland op het wereldkampioenschap in 1986?' ,,Op zo'n avond vraag ik me dan af of we het nog eens over wat anders hebben, vrouwen of politiek bijvoorbeeld. Het ontluisterende antwoord is dan: nee.'

Paul Onkenhout, voetbalverslaggever bij de Volkskrant, benadert sport iets zakelijker. Hij houdt van het spel, raakt in vervoering van mooi voetbal, ,,maar ik juich niet als er wordt gescoord in een wedstrijd. Als je vijftien seizoenen intensief voetbal volgt, kijk je er nuchterder tegenaan.' Hij herkent wel de hang naar feitenkennis, al is het maar omdat de lezer behoefte heeft aan details en feitelijkheden. ,,Wat je van je buurman wilt weten, wil je ook van Jaap Stam weten. Maar dat is voor mij uiteraard bijzaak, het gaat uiteindelijk om het spel.'

Liefde voor sport is een voorwaarde en ongetwijfeld een drijfveer om sportverslaggever te worden. Maar bewondering voor die ene speler of club verandert in fascinatie voor het spel, het verschijnsel. Volgens Kuper hoeft die verschuiving niet te betekenen dat de emotie verdwijnt. Er komt hoogstens een element bij, namelijk het vermogen sport in een groter geheel te plaatsen. Kuper ziet voetbal als een `antropologisch verschijnsel', wat nogal afstandelijk klinkt. Maar: ,,Ik moet eerlijk zeggen dat ik dus wél juich als Nederland scoort.'

Dat passie een beschouwende houding niet in de weg staat, bewijst Kuper in zijn boek over voetbal en politiek: Football Against The Enemy. ,,Voetbal beweegt naties overal ter wereld, mensen kunnen zich vreemd gedragen door voetbal. Het is een vorm van nationalisme, heb ik gemerkt.'

De cultuur van de sport boeit ook Onkenhout. ,,In het voetbal wordt alles uitvergroot. Talent of gebrek aan talent is nergens zo belangrijk als in het voetbal. Het is een keiharde wereld, waarin de emoties overlopen. Maar ook markante individuen houden me in een greep. Wat je ook van Van Gaal vindt, het is een fascinerend mens. Ik zou, met medewerking van de man, zo een jaar uittrekken voor zijn biografie.'

Nostalgische gevoelens kan ook Onkenhout niet helemaal onderdrukken. ,,Laat mij maar wegdromen bij beelden van vroeger', schreef hij onlangs. Zijn columns gaan vaak over het voetbal van vóór het tijdperk van shirtsponsoring en skyboxen. ,,Het voetbal van de jaren zeventig was onschuldiger. Het was amateuristischer, voetballers konden amper rondkomen van hun salaris. Dat geeft die tijd een soort romantiek.' Hij droomt weg bij het vroegere stadion van Ajax, De Meer, en mijmert ook over minder voor de hand liggende aspecten van toen. ,,Het gevloek, de pislucht, het vette eten. Ik heb heimwee naar die tijd.'

Het voetbalsentiment in de journalist is dus niet helemaal gestorven. Kuper schrijft en leest het liefst over zijn jeugdidolen. Het is dezelfde hang die Onkenhout heeft naar de jaren waarin hij een vurige voetbalfanaat was die alles wat met de sport te maken had in zich opzoog. Hij is het gevoel niet kwijt. ,,Het WK '74 is voor mij een veel belangrijker gebeurtenis dan de moord op Kennedy. De nederlaag in de finale tegen West-Duitsland schokte me toen, en raakt me tot op de dag van vandaag. Ik kwam laatst nieuws op het spoor over de zwembad-affaire (Cruijff en vijf andere spelers zouden naar de smaak van hun wederhelften wat al te intiem zijn geweest met een aantal dames - red.), en dan heb ik het gevoel iets belangwekkends te doen.'

Op de vraag of ze nu meer voetballiefhebber dan -journalist zijn antwoorden Onkenhout en Kuper beiden hetzelfde: ze voelen zich in de eerste plaats journalist, die objectief en kritisch moet zijn, al gaat het de voetballiefhebber in hen wel eens aan het hart. Onkenhout: ,,Ik neem mijn vak serieus, en kaart misstanden in het spel aan. Al klinkt het pretentieus, het gaat erom dat de waarheid in onze kolommen komt te staan.'

En de `sportwaarheid' is geen triviale waarheid, al wordt op sportverslaggevers wel eens neergekeken. Onkenhout: ,,Iemand die dertig jaar als verslaggever in de Tweede Kamer zit en het geneuzel van politici aanhoort en daar dan een stukje over schrijft is vast een beter mens dan ik. Maar ik zou het niet willen. Ik zou niet met zoveel hartstocht kunnen schrijven over iets anders dan sport.'

Kuper is het daar mee eens, maar voetbaljournalistiek is volgens hem ook een onderdeel van de grote amusementsindustrie. En die houdt zich bezig met het kapsel van een voetballer, terwijl elders mensen verhongeren. Toch ziet hij zichzelf op zijn vijftigste nog steeds over voetbal schrijven. Dan maar niet volwassen, concludeert hij. ,,Ik was bij de Financial Times bezig met valutamarkten. Maar ik was daar een matige journalist. Ik zal niet snel beter schrijven over iets anders dan voetbal. Misschien is dat het verschil tussen een interesse en een passie.'