Bijna winnen blijft toch verliezen

Wedstrijdroeiende studenten onttrekken zich willens en wetens aan de verlokkingen van het bruisende studentenleven. Geen drank, geen feestjes, wel afzien. Wat drijft hen?

Eigenlijk zijn wedstrijdroeiers een beetje gek. Roeien is een officiële studentensport, maar is mijlenver verwijderd van het `gewone' sociëteitsleven met zijn drank en feesten. Roeien vereist een ijzersterke discipline van de student.

De wedstrijdroeiende student drinkt en rookt niet, maar dat is niet het enige. Er wordt verwacht dat hij of zij 's avonds om half twaalf in bed ligt voor de dagelijkse acht uren slaap, en iedere dag klaarstaat om te trainen, in weer en wind en zelfs bij studiestress en in tentamentijd. Waarom doen studenten zichzelf dit allemaal aan? Hebben ze het niet al druk genoeg met de studie en het onvermijdelijke baantje ter aanvulling van studiefinanciering en ouderlijke steun? De ware wedstrijdroeiers zullen antwoorden dat ze het er allemaal graag voor over hebben, want ,,winnen is zo mooi'.

Leuk allemaal, de euforie, maar waarom niet winnen met hockeyen, paardrijden of jeu de boules spelen? Die sporten gaan prima samen met zo nu en dan nachtbraken en een paar biertjes in de kroeg. Roeien staat niet voor niets bekend als `de slavensport'. Het wedstrijdroeien is eigenlijk geen hobby meer, geen besteding van de vrije tijd, zoals veel andere sporten wel kunnen zijn. Voor roeiers is hun sport een manier van leven.

De strakke indeling van de dag, waardoor het leven een duidelijk ritme krijgt, wordt als vanzelf een prettig, onmisbaar houvast. Het eetpatroon van de beginnende wedstrijdroeier verandert, of beter gezegd: hij gaat meer eten. Het sociale leven wordt vaak beperkt tot de roeivereniging, door tijdgebrek voor `buitenstaanders', maar ook omdat diezelfde buitenstaanders toch niets snappen van de gedrevenheid en bezetenheid van de roeiers. Veel roeiers raken een beetje `dichtgetikt', zoals dat in studentenjargon heet: roeien hier, roeien daar, alles wordt toch vooral aan roeien gerelateerd en in de agenda komt het op de eerste plaats.

Het wonen in een roeiershuis, een studentenhuis met alleen wedstrijdroeiers en oud-wedstrijdroeiers, stimuleert dit atypische studentengedrag nog eens. Om half twaalf 's avonds zijn de lampjes uit in de roeiershuizen en is het muisstil. (Prettig voor de huisbaas en de buren.) In Leiden dragen de roeiershuizen dan ook bemoedigende kreten als naam, zoals `Ja, ja, kom maar door' of fijnzinnigere hints naar de roeisport zoals `Het Zwanennest'.

Ofschoon de huizen vol zitten met de prachtigste verhalen over glorierijke overwinningen, onbetwiste helden en een ploegband die sterker is dan de bloedband, kennen ze daar ook als geen ander de ellende van het wedstrijdroeien. Blessures, trainingen op de ergometer (de roeisimulator) waarbij de trainende roeier de gewenste scores nét niet haalt, trainingen met wind, kou en veel golven, ploegruzies, keiharde selectiemomenten, wedstrijdstress en boten die aan diggelen worden gevaren. Elk normaal denkend mens zou er niet aan beginnen, maar de wedstrijdroeier haalt zich de ellende vrijwillig op de hals ik dus ook. Ook ik heb wenkbrauwen zien fronsen bij welmenende `buitenstaanders' (sorry, dierbare familie).

Waarom deze zelfgekozen gekte? De medische verklaringen voor zelfkastijding in de sport de kick van een adrenalinestoot, de verslavende endorfinen zullen ook op het wedstrijdroeien van toepassing zijn. Maar er is meer, en dat zal alleen de roeier zelf daadwerkelijk kunnen doorgronden. Uit eigen ondervinding en vele gesprekken met club- en huisgenoten zie ik ook een persoonlijkheidsstructuur die aanzet tot deze allesomvattende sport en daarmee tot de zelfgekozen gekte.

Als klein meisje las en tekende ik graag en ik droomde ervan schrijver en illustrator te worden, zoals meer kleine meisjes misschien doen. Maar de meesten willen het een dag, een week, maar ruilen het al snel in voor een Barbie. Ik niet. Ik stortte me op het papier, schreef en tekende in korte tijd een complete serie boekjes, naaide die met naald en draad in elkaar en plastificeerde het omslag. Ik werkte aan een oeuvre. Na de eerste serie van dertig maakte ik nog twee kleine series rond andere hoofdpersonen. Graag liet ik voor mijn `werk' een verjaarspartijtje schieten.

Je verliezen in een zelfgekozen opdracht, alles geven voor een doel het bleef niet bij het schrijven van mijn boekjes. Later leefde ik voor de dans, moest alles wijken voor trainingen en oefeningen, en verzuchtten mijn bezorgde ouders dat er geen grens zat aan wat ik van mezelf eiste. De afwijzende Toelatingscommissie van het Haags Conservatorium deed mijn wereld instorten, maar liet mijn ouders stiekem opgelucht ademhalen. Tot ik ging studeren en aan de praat raakte met een paar roeiers. Zij luidden mijn nieuwe passie in.

Mijn nieuwe passie. Is het roeien? Of simpelweg het verlangen in mij om mijn top te bereiken, hoe dan ook?

Hoe het ook zij, zonder roeien kan ik niet. De pittige trainingen bevredigen mijn behoefte steeds beter te presteren. Net voor een wedstrijd zorgt de adrenaline dat ik kan presteren en tijdens de wedstrijd wordt de spanning omgezet in positieve energie en gecontroleerde agressie: ik voel me goed en het gáát goed. Afzien wordt een prettige verslaving.

Maar laat het niet alleen een lichamelijke en geestelijke verslaving aan de sport op zichzelf zijn. Er is ook nog die geweldig hechte onderlinge band van de ploeggenoten, de clubvrienden, die zich allemaal realiseren dat ze elkaar nodig hebben om te kunnen presteren. Er zijn tijdens de training momenten dat we elkaar tot in het diepste van de ziel haten, maar in een wedstrijd kunnen we geen ruzie hebben, dat werkt niet, dat róéit niet. En daar is het ons toch allemaal om begonnen: het wél roeien, het góéd roeien.

Misschien dat, mocht een teamsport als hockey ooit een officiële studentensport worden, er ook `doorgedraaide' hockeyspelers zullen komen. Voorlopig hebben nu alleen de roeiverenigingen een officiële academische status. Daar geldt het keiharde motto: alleen de winnaar telt, bijna gewonnen is helemaal niks, bijna winnen bestaat niet.

Wie hier in vrijheid voor kiest, zal wel een beetje gek zijn. Ik en alle andere wedstrijdroeiers halen onze schouders op en sluiten ons aan bij Erasmus' woorden: ,,een lichte mate van verdwazing maakt het leven draaglijk'.En met een iets zwaardere valt ook best te leven.