Verrassing

Het liep al tegen zevenen in de avond, en we dommelden allen behaaglijk weg in onze eersteklas treincoupé op weg naar Amsterdam toen we nog vóór Delft plotseling ruw werden opgeschrikt.

Een wolkje antrax? Arabisch uitziende mannen die dreigend binnenstapten? Nee, ik begrijp de geconditioneerde reflex van de hedendaagse lezer, maar de werkelijkheid was simpeler, zij het voor menigeen nauwelijks minder verontrustend.

Twee oudere, sjofele mannen kwamen binnen en posteerden zich breed in het gangpad. De ene man was kalend en droeg een versleten leren jack, terwijl hij een accordeon voor zijn borst hield. De andere man klemde een saxofoon tegen zijn vale trui.

Straatmuzikanten.

Ik herkende hen met een enkele oogopslag. Waar en hoe vaak had ik hen eerder gezien? Op welke terrassen en in welke restaurants? Was het in Den Haag geweest of toch in Amsterdam of misschien ook in Parijs? Ze kwamen uit Roemenië of Bulgarije, vermoedde ik, en Albanië was ook niet uitgesloten. Er hing in ieder geval een norsige, troosteloze Oost-Europese sfeer rond hen. Zij waren het archetype van de Oost-Europese straatmuzikant.

Straatmuzikanten zijn ruwweg in drie categorieën te onderscheiden: de Oost-Europese blaaspoeper, de Peruviaanse pijper en de Noord-Amerikaanse John Denver-imitatie. Het zijn, zo langzamerhand waar ook ter wereld, je trouwste metgezellen op de zomerterrassen. Je luistert nooit naar ze, je betaalt ze alleen uit blijdschap dat ze weer snel ophoepelen. Dat weten ze, en daar maken ze gretig gebruik van. De straatmuzikant als moderne bedelaar.

Ze hoorden, net als de zon, bij de zomer. Dat ze ons nu ook door de herfst en wie weet zelfs de winter wilden helpen, was een grote verrassing. Ik zag het aan de verslagenheid op de gezichten om mij heen. Bleef de Nederlandse treinreiziger dan werkelijk niets bespaard?

Ik concentreerde me op de reizigers die niets in de gaten hadden, omdat ze met hun rug naar het duo zaten gekeerd. Zij doezelden nog in een wolk van zalige onwetendheid.

Toen stortten de decibellen zich in een schelle orkaan van lawaai over hen uit. De kale zette een versleten Parijs deuntje in, de trui piepte er hoog en vals doorheen.

Ontzetting alom.

Geharde zakenmannen gingen kreunend onderuit, een jonge vrouw liet verbijsterd haar mobiele telefoon zakken. Wat zouden ze nu krijgen? Muziek? Nee, een soort muziek. Het duo werkte zich snel door de coupé heen. De trui hield ons een bekertje voor, waarin je ook kon overgeven als het je te machtig was geworden. Ze haalden niet veel op. Daarvoor was de verontwaardiging te groot.

Maar ik genoot. Op de heenweg had ik niet kunnen lezen door het luidkeelse mobiele gebel van enkele managerachtige mannen. Hier werd wraak genomen uit mijn naam. Ik gaf dan ook een gulden, en knikte dankbaar naar de mannen toen ze zich bij de deur omdraaiden en unisono riepen: ,,Bon voyage!''