Van basisvorming blijft weinig over

De Onderwijsraad lijkt met zijn jongste advies over de basisvorming de doodsteek te hebben teweeggebracht aan het gezamenlijk lesprogramma voor 12- tot 15-jarigen. Van de grote partijen staat alleen de PvdA nog achter de onderwijshervorming.

Het is een bijzonder liberaal advies geworden, zegt VVD-Kamerlid C. Cornielje. Het advies van de Onderwijsraad over de basisvorming gaat eindelijk af van het idee dat iedere leerling hetzelfde lesprogramma moet volgen,meent Cornielje. ,,Leerlingen krijgen in dit advies meer ruimte voor individuele ontplooiing. Wie leert met zijn handen krijgt daar meer ruimte voor.''

Het oorspronkelijke, sociaal-democratische ideaal van een identiek lesprogramma in de eerste paar jaar van de middelbare school voor iedere leerling gaat grotendeels op de schop. Tenminste, als de voortekenen niet bedriegen. Staatssecretaris Adelmund reageerde gisteren voorzichtig positief op het voorstel van haar belangrijkste adviesorgaan om het gezamenlijke lesprogramma van vijftien vakken in de eerste twee à drie jaren van de middelbare school drastisch te hervormen.

Zo zou het aantal verplichte vakken in de basisvorming teruggebracht moeten worden van vijftien naar acht. Vakken als Frans, Duits en economie zijn in het voorstel niet langer verplicht. Bovendien mogen scholen voor voorbereidend beroepsonderwijs, vmbo en havo/vwo die vakken op het niveau van de leerlingen aanbieden en wordt de duur van de basisvorming overal twee jaar.

Van een echte `basisvorming', zoals die in 1993 op initiatief van toenmalig staatssecretaris van Onderwijs Wallage werd ingevoerd, is nog maar weinig over. De onderwijsvernieuwing moest kinderen een basispakket aan kennis meegeven en daarmee het peil van het jeugdonderwijs over de gehele linie verbeteren. Nieuwe vakken als verzorging, techniek en informatiekunde deden hun intrede. Bovendien moest de verplichte schoolkeuze (voor bijvoorbeeld mavo of vwo) worden uitgesteld. Nergens in de Westerse wereld werden kinderen zo jong geselecteerd voor een schoolloopbaan als in Nederland. Die segregatie moest worden uitgesteld van de twaalfjarige leeftijd na de Cito-toets tot 15 jaar.

Vanaf het begin verliep de invoering van de basisvorming stroef. De grootste klacht, van scholen, ouders én de meeste politieke partijen, is dat het niet tegemoet zou komen aan de grote onderlinge verschillen tussen kinderen. Het zou een eenheidsworst zijn. Leerlingen op het havo en vwo worden onvoldoende uitgedaagd, terwijl de vbo-leerlingen vastlopen op de vele cognitieve vakken, zodat er geen ruimte meer overblijft voor praktijkvakken. Bovendien leidt het grote aantal vakken tot versnippering. In praktijk heeft iedere school de basisvorming dan ook zoveel mogelijk aan het niveau van de eigen leerlingen aangepast.

Niet alleen de scholen worstelden met de basisvorming in de praktijk, ook ouders bleken weinig gecharmeerd van dit gelijkheidsideaal. Zij kiezen voor hun kinderen het liefst een zo hoog mogelijk schooltype, met uitsluitend klasgenoten van hetzelfde niveau. De categorale gymnasia en havo/vwo scholen groeien de laatste jaren dan ook flink. Het risico van `afzakken' naar een lager niveau is volgens ouders kleiner dan op een brede scholengemeenschap.

De basisvorming was een compromis. Voorvechters als Jos van Kemenade en Jacques Wallage hadden liever een zogenoemde middenschool gezien waarbij alle leerlingen tot hun vijftiende jaar ongeselecteerd bij elkaar in de klas zaten. Voor deze `kop op de basisschool' was nooit een Kamermeerderheid te krijgen. Dus werd de basisvorming ingevoerd binnen de verschillende niveaus van het voortgezet onderwijs.

Jacques Wallage, destijds staatssecretaris van Onderwijs, zei eind vorig jaar in een interview met deze krant: ,,De basisvorming was bedoeld als gereedschapskistje voor het leven, de minimumbagage die een kind nodig heeft in de maatschappij.'' Hij staat nog steeds vierkant achter de basisvorming: ,,Als ik het opnieuw zou mogen doen, zou ik het zo weer doen.''

Maar Wallage, en met hem de PvdA, is steeds meer alleen komen te staan in zijn optimisme. Door de jaren heen hebben vrijwel alle partijen de basisvorming als een baksteen laten vallen en kwamen zij terug op hun aanvankelijke steun. Zo zei CDA-Kamerlid Mosterd, de partij onder wier regeringsverantwoordelijkheid de basisvorming is ingevoerd, vorig jaar dat er in de uitwerking een ,,weeffout'' was geslopen, die ,,bij voortschrijdend inzicht'' aan het licht was gekomen. Aan de in de ogen van velen `mislukte' basisvorming wil de partij haar vingers niet meer branden.

De Onderwijsraad beklemtoont in het advies dat de voorgestelde aanpassingen niet betekenen dat het gedaan is met de basisvorming. Er blijft een kerncurriculum overeind en iedere leerling zal aan een `basisniveau' moeten blijven voldoen. Gelukkig voor de PvdA, die zal kunnen blijven zeggen dat de basisvorming (zij het in verdunde vorm) nog steeds bestaat. Én gelukkig voor de meeste andere partijen, die tot hun genoegen zullen constateren dat dat vermaledijde uniforme lesprogramma zijn langste tijd heeft gehad.