Selectieve herdenking

In Parijs is vandaag een plaquette onthuld ter nagedachtenis aan de slachtoffers van een betoging in 1961 tegen het Franse optreden in Algerije.

De omstreden gedenksteen die Bertrand Delanoë, de socialistische burgemeester van Parijs, vanochtend op de Pont Saint-Michel onthulde, getuigt van meer dan één geschiedenis. Het gaat niet alleen om gebeurtenissen van vandaag precies veertig jaar geleden. De steen zal ook blijven herinneren aan de worsteling van Frankrijk met het eigen verleden. Alleen al de plaats, aan de kant van de Marché Neuf, in het Vierde Arrondissement, is in dat opzicht veelbetekenend. Jean Tiberi, de rechtse oud-burgemeester van Parijs en nu burgemeester van het Vijfde Arrondissement waar het gedenkteken historisch thuishoort, wilde niets weten van een ,,selectieve'' herdenking.

`Ter herinnering aan de talrijke Algerijnen die gedood werden bij het bloedige neerslaan van de vreedzame demonstratie van 17 oktober 1961' luidt de tekst op de steen. Te weinig voor de een, te veel van het goede voor de ander. Verwijzend naar een geschiedenis die voor een groot deel nog beschreven moet worden, is de door Delanoë hoogstpersoonlijk gekozen formulering voor het moment in elk geval het maximaal haalbare.

Zelfs het aantal doden is omstreden, de schattingen variëren van tientallen tot twee- à driehonderd. Ze waren het resultaat van meedogenloos politie-optreden tegen een vreedzame demonstratie, op 17 oktober 1961, van tussen de twintig- en dertigduizend in Frankrijk levende Algerijnen. Er werd met scherp op hen geschoten, er waren er die verdronken na van de Pont Saint-Michel in de Seine te zijn gegooid, sommigen werden gemarteld na hun arrestatie en er zijn zelfs verhalen over uit ziekenhuizen weggehaalde gewonden die vervolgens spoorloos verdwenen.

De demonstratie was georganiseerd door de FLN, de omstreden Algerijnse onafhankelijkheidsbeweging, die in het kader van de oorlog (1954-1962) tegen de kolonisator Frankrijk, alleen al in augustus 1961 negen politie-agenten doodde bij aanslagen. De demonstratie was gericht tegen de avondklok die de toenmalige prefect van Parijs, Maurice Papon, ter bezwering van het gevaar van aanslagen, had ingesteld voor Algerijnen.

Papon, nu 91 jaar oud en in 1998 veroordeeld tot tien jaar cel wegens misdaden tegen de menselijkheid voor zijn optreden tegen joden tijdens de Tweede Wereldoorlog, liet de politie met instemming van toenmalig president Charles de Gaulle niet alleen hard optreden tegen de demonstranten maar zag er ook op toe, dat de resultaten van dat optreden in de doofpot verdwenen. Met medewerking, overigens, van het overgrote deel van de pers, die zweeg over de lijken die de volgende dagen uit de Seine werden opgevist. Alleen de enkele jaren geleden in vergetelheid overleden fotograaf Elie Kagan snelde op zijn scooter van brandhaard naar brandhaard en legde de gebeurtenissen met gevaar voor eigen leven vast. De herontdekking, na zijn dood, van Kagans foto's past in het pijnlijke zelfonderzoek waaraan Frankrijk zich de laatste jaren onderwerpt.