`Schrijven is vooral geploeter'

Voor zijn essaybundel Oversprongen ontving schrijver/bioloog Tijs Goldschmidt gisteravond de Jan Hanlo Essayprijs 2001. De jury roemde zijn oog voor de `poëzie van de feiten'.

`Het schrijven van essays is pure zelfverwennerij' staat in het juryrapport van de Jan Hanlo Essayprijs 2001. ,,Op die term zou ik zelf niet gekomen zijn', zegt de winnaar Tijs Goldschmidt. ,,Bij mij is schrijven toch voornamelijk geploeter.' De bioloog Goldschmidt (1953) kreeg de Jan Hanlo Essayprijs Groot gisteravond in De Balie uitgereikt voor Oversprongen, een bundeling van essays die grotendeels eerder verschenen in NRC Handelsblad. In het boek schrijft hij over uiteenlopende onderwerpen als vogels, vissen, Papoea's in Florida, eilandbiogeografie en vakgenoten als Niko Tinbergen en Dick Hillenius. Het juryrapport roemt Goldschmidts `oog voor de poëzie van de feiten'.

Dit jaar was er voor het eerst een grote prijs (15.000 gulden) voor essaybundels, naast de reeds bestaande kleine prijs (3.000 gulden) voor een ingezonden nieuw essay. De jury bestond uit Lien Heyting, Carel Peeters en Monica Soeting. De andere genomineerden waren Matthijs van Boxsel en Piet Meeuse. Goldschmidt kreeg naast het geldbedrag ook een trofee: een stel kaplaarzen, met in de zolen de tekst `ik ben de winnaar van de Jan Hanlo Prijs', ontworpen door Laura de Monchy van de Rietveld Academie. Goldschmidt trok de laarzen onmiddellijk aan.

De volgende ochtend klinkt Goldschmidt nog steeds wat verbaasd: ,,Ik en Piet Meeuse waren ervan overtuigd dat Van Boxsel de prijs zou krijgen.' In 1993 stopte Goldschmidt met zijn werk als wetenschappelijk onderzoeker aan de Universiteit van Leiden. Een jaar later verscheen het succesvolle boek Darwins hofvijfer, vertaald in onder andere het Engels, Duits en Italiaans, waarin hij voor het eerst op literaire wijze over wetenschap schreef. Is Goldschmidt nu fulltime essayist? ,,Voor mij is essayist een heel zwaar woord. Ik stel me bij een essay een tamelijk hoogdravende tekst voor. Als je het opvat in de zin van Montaigne, als een probeersel, dan ben ik wel een essayist.' Wat vindt hij van het werk van Jan Hanlo? ,,Het mooie ervan is, dat als je twee zinnen leest, weet je dat het Jan Hanlo is. Het is eigenzinnig, maar vaak staat er toch wel onzin. In het stukje `Het is raar' schrijft hij over dieren en dat het zo vreemd is dat ze er zijn. Hij verwoordt heel goed de verwondering van iemand die onbevangen kijkt. De eigenzinnigheid, dat is wel iets waar ik met jaloezie naar kijk. Ik heb de neiging om wat ik schrijf te willen verantwoorden, door mijn wetenschappelijke achtergrond. Mijn werk is degelijker onderbouwd, maar daarom ook minder uniek.'

In Oversprongen stelt Goldschmidt dat de literaire non-fictie, waar je zijn werk toe zou kunnen rekenen, de trekken vertoont van `toegepaste kunst'. ,,Het genre heeft zijn beperkingen. Zodra je de wetenschap loslaat, heb je weer alle vrijheid. Ik kan het niet nalaten het te proberen omdat ik biologie zo spannend vind. Er wordt voor een breed publiek veel over geschreven maar altijd in een wetenschapsjournalistieke vorm. Daarbij houdt de journalist zichzelf uit beeld. Ik schrijf onbescheidener, laat mezelf niet weg.' De vorm die Goldschmidt voor zijn werk bedacht, was het combineren van verhalende stukken tekst met wetenschappelijke gedeelten. ,,Wat ik probeer te doen is kleine stukjes met informatie afwisselen met stukjes uit heel andere domeinen, beeldende kunst of literatuur. Alleen heb ik bij Darwins hofvijfer gemerkt, dat de keiharde beta's de neiging hebben alleen de wetenschappelijke stukjes te lezen. De alfa's slaan die weer over en concentreren zich op de verhalen.'