`Geld voor natuur niet naar de boeren'

Agrarisch natuurbeheer werkt niet. Wie meer natuur op de boerderij wil, moet niet vertrouwen op de goede wil van boeren.

Is het geven van subsidie aan boeren die aan natuurontwikkeling doen weggegooid geld? Dat willen de onderzoekers dr.ir. David Kleijn en prof.dr. Frank Berendse niet gezegd hebben. Maar: ,,Elk jaar 100 miljoen gulden eraan uitgeven is wel erg veel'', zegt Berendse.

Uit onderzoek van Wageningen Universiteit, dat deze week verschijnt in het wetenschappelijke tijdschrift Nature, blijkt dat maatregelen om de biodiversiteit op de boerderij te verhogen niet werken. ,,Onze resultaten wijzen uit dat beheersmaatregelen die onder experimentele condities hebben bewezen effectief te zijn, niet de gewenste effecten hebben (planten) of zelfs onverwacht tegengestelde effecten hebben (vogels) als ze op boerderijen worden ingevoerd'', schrijven de onderzoekers. ,,Wij zijn niet tegen agrarisch natuurbeheer. Maar wij vinden wel dat geld voor natuur aan natuurdoelen besteed moet worden.''

Naar schatting 20 procent van het boerenland in de Europese Unie valt onder een of andere maatregel om de negatieve gevolgen van de moderne landbouw voor het milieu tegen te gaan. Daarmee is 4 procent van de totale EU-landbouwuitgaven gemoeid, in de toekomst 10 procent. Nederland is een van de eerste landen die zulke beheersovereenkomsten hebben. Boeren vangen hier ongeveer duizend gulden subsidie per hectare als ze zuinig zijn met mest om meer plantensoorten een kans te geven. Ze krijgen hetzelfde bedrag als ze hun grasland later maaien dan ze van plan waren om weidevogelnesten te sparen.

De resultaten van dit onderzoek komen op een ongunstig moment. De boerenlobby ziet in natuur- en landschapsbeheer een nieuwe kans voor boeren in nood. Maar uit het onderzoek van de leergroep natuurbeheer en plantenecologie op 78 percelen mét en zonder agrarische natuurbeheer blijkt nu dat de maatregelen weinig uithalen. Er komen vrijwel geen plantensoorten bij die de hegemonie van het raaigras kunnen doorbreken. En op de natuurvriendelijk beheerde weilanden zitten zelfs minder grutto's, scholeksters, kieviten en tureluurs dan gebruikelijk. En dat is al dramatisch weinig.

Het heeft eigenlijk weinig zin, stellen de onderzoekers uit Wageningen, om te wachten met maaien totdat de jonge vogeltjes kunnen wegvliegen als de koeien of de maaimachine hen dreigen te vernietigen. Berendse: ,,Wat boeren doen, is deze percelen niet meer bemesten. Daarmee willen ze voorkomen dat het gras te lang wordt, gaat liggen en niet meer kan worden gemaaid. Het effect is dat er relatief weinig regenwormen in de grond zitten. In elk geval minder dan in de andere percelen. Om die reden vermijden vogels de natuurviendelijke weilanden.''

Als je echt de biodiversiteit wilt vergroten, stellen de onderzoekers, kun je beter natuurgebieden inrichten dan vertrouwen op de goede wil van boeren. ,,De belangrijkste zorg van boeren is noodzakelijkerwijs hun inkomen veilig te stellen. Om die reden is natuurbehoud voor hen van ondergeschikt belang, en zal dit worden gekoppeld aan een landbouwsysteem dat onder de economische druk steeds intensiever wordt'', schrijven de onderzoekers. Vandaar hun pleidooi om de 100 miljoen gulden subsidie in Nederland maar liever ten dele te besteden aan de ecologische hoofdstructuur. Want als je geld uitgeeft aan natuur, moet er aantoonbaar resultaat zijn, stelt Berendse. Kleijn: ,,Boeren hebben het moeilijk, maar dat is geen reden om ze natuurgeld te geven.''

Moet biodiversiteit op de boerderij dan maar worden vergeten? Dat niet, zeggen de onderzoekers. Agrarisch natuurbeheer kan succes hebben als boeren deskundig worden begeleid en er een gedegen evaluatie aan vast zit. Ook vrijwilligers kunnen goed werk doen, door nesten te localiseren en te omheinen. ,,Nestbescherming verhoogt het broedsucces.''

Er is ook kritiek op het onderzoek. De Leidse hoogleraar dierenecologie prof.dr. Jacques van Alphen vindt het ,,een raar verhaal''. Hij vraagt of zwaar bemeste weilanden inderdaad veel wormen bevatten (Kleijn: ,,Wij hebben keiharde bewijzen'') en stelt dat onduidelijk is waarom weidevogels ergens voorkomen. Hij vindt het te vroeg om conclusies te trekken.